Tijgeritus

Ik weet het zeker: als er iemand op de wereld onkwetsbaar is, dan is het mijn mama.
Als er iemand de wereld stuurt, dan is zij het.
Loopt er ergens op de wereld iets mis, mama komt er al aan om het te regelen.
Toen twee grote jongens een keer  het voetbalveld op kwamen fietsen om een  jongen zijn bal af te pakken, sprong mama er als een wilde tijger tussen en liet haar ogen fonkelen.Terwijl ze net daarvoor nog helemaal aan de andere kant van het veld was met mij en mijn vriendjes.
En als om te bewijzen dat mama alles op de hele wereld regelt, deden die dolle grote jongens meteen precies wat zij zei.
Ze lieten de bal los, zeiden sorry tegen haar en de jongen, en fietsten allebei een andere kant op, voorovergebogen, alsof ze zich schaamden.
Mama keek naar mij op: met haar linkerhand hield ze de zon uit haar gezicht, met de rechter stak ze haar duim naar me omhoog.
Mama is vet populair bij mijn vrienden.
Mijn mama heeft ook een paar haren onder haar neus, en ik denk dat zij ze allemaal apart kan bewegen.
Volgens mij zijn het tastharen. Zoals bij een kat of een muis.
Tastharen – dat zou verklaren waarom mama zo apart is; want als je de hele tijd meer en andere dingen voelt, tasthaardingen dus, dan kun je natuurlijk niet net zo zijn als andere mensen.

Mama moet drie maanden naar het ziekenhuis omdat haar rug al heel lang kapot is en nooit meer beter wordt.
En mijn opa en oma  gaan dit jaar dood en in een kistje.
En dat is allemaal de schuld van de man, waarvan ik de naam niet meer noem.
Ik heb hem al veel brieven geschreven om hem te zeggen dat hij van z`n luie kont af moet komen en moet ophouden zo achterlijk te doen.
Maar ik heb nog nooit antwoord van hem gekregen. De lafaard.
Ik gil en wacht tot de man iets doet, het is zijn taak om iets te doen, en dan doe ik gewoon niet mee met wat hij doet.
Gewoon om hem te laten zien dat ik niet meer aan zijn kant sta na wat hij heeft geflikt.
En dan moet de man het eindelijk maar eens begrijpen, hij moet in huilen uitbarsten, zijn hart moet verschrompelen als een madeliefje in de magnetron, hij moet mij zien en in mij alles zien wat hij kapot heeft gemaakt.
En hij moet op zijn knieen vallen en om vergeving smeken en alles weer goedmaken.
En hij moet niet lachen en alleen maar met zichzelf bezig zijn en met al die stomme dingen die hij zo belangrijk vindt.
En hij moet mij niet in zijn armen nemen; maar dat doet hij in mijn gedachten wel.
Toch hou ik mooi niet op met gillen.
Mama zei laatst bulderend van het lachen: “Savoir Vivre!”. Ik vroeg haar wat dat is.
Mama zei dat het Frans is, en een soort levensfilosofie. Een motto, een houding. “Zoiets als de strijdkreet van de snappers!”
“De snappers?” vroeg ik.
“Ja”, zei mama, “degenen die het gesnapt hebben”.
“Wat gesnapt hebben?” wilde ik weten.
“Het leven natuurlijk!” proestte mama het uit. “Als je een gelukkig mens wilt zijn, moet je wel weten hoe je het leven moet opvatten. En deze twee woordjes zijn een oproep, een bevel zelfs! Om altijd het leven te onderzoeken, alles uit te proberen. Je moet erachter zien te komen wat je wilt en waarom, en dan moet je recht op je doel af gaan, met alle mankementen die je hebt. En het belangrijkste is dat je onderweg zo veel mogelijk plezier hebt, dat je geniet en het kleine begrijpt, het simpele ziet, het petieterige liefhebt, niet alleen het allersupermegamooiste wilt, maar al blij bent met heel weinig en je verheugt op wat komen gaat.
En dat je, als er eens een keer iets stoms gebeurt, het niet persoonlijk opvat, maar je schouders ophaalt en erom lacht”.
En ze lachtte weer. Mama lacht altijd keihard.
Mijn mama is de warmste vrouw van de wereld. Er hangt een gloed om haar heen die ik uit duizenden zou herkennen, heerlijk warm en ook met een heel eigen geur. Ik lig naast haar op bed, ze aait me over mijn hoofd.
Ze vraagt me wat er aan de hand is, maar ik kan nog niet praten.
Ik kan alleen maar trillend van woede op bed liggen.
Mama`s rug wordt nooit meer beter en opa en oma gaan dood.
“Hij heeft alles kapotgemaakt mama”, fluister ik, “hij had toch al alles kapotgemaakt en nu heeft hij alles nog kapotter gemaakt”.
Mama kijkt me lang aan; ze legt mijn hoofd op haar borst en slaat haar armen eromheen. Ik hoor haar hart kloppen.
“Wees niet zo hard voor hem” zegt mama, en ik kan mijn oren niet geloven.
“Als ik niet hard voor hem ben, is niemand hard voor hem. Jij blijft altijd maar zo aardig voor hem, maar hij is een stommerik die alles kapotmaakt, een man zonder naam, hij heeft zijn kans gehad maar die heeft hij verknald!”.
En daar begint het weer. Het tintelt in mijn voeten, trekt in mijn teennagels, raast in mijn knieen, kriebelt in mijn keel, jeukt aan mijn tong en dondert en bliksemt achter mijn ogen.
Ik groei uit mijn kleren, mijn woede maakt koprollen in mijn borst, en op mijn rug knokken duizend wilde wolven.
Ik wil grauwen en knauwen, ik wil happen en trappen en de regels aan mijn laars lappen,
ik wil krabben, rennen, springen, stampen.
Ik wil huilen, schelden, schreeuwen, tieren, ik wil iets kapotmaken, erop springen, spugen, het vermorzelen en vermalen, inslikken en verteren, uitbraken en begraven.
Mama neemt me mee naar het Reuzenbos.
Ik ren het bos in, en die beeft onder mijn klauwen; ik maai met mijn armen en benen, stamp zo hard ik kan, schop tegen deuren – en dan stilte.
Als ik de tijgeritus krijg, zwellen mijn spierballen op, en zijn mijn aderen net tuinslangen, waar het bloed door pompt zoals bij de Oekraiense gewichtheffers die driehonderd kilo optillen. Er komen bergen spieren op, ook in mijn schouders en benen: ik krijg tijgerkracht.
Ik ruk bomen uit de grond ( of in elk geval graspollen, echt van die grote!), ik graaf en graaf, mijn woede groeit mij huizenhoog boven het hoofd, zwelt aan tot een reuzengolf, een tijgerbeving, een tijgernami, een tijgerkaan, een tijgerramp.
Dat meisje, zeggen de mensen, is een natuurkracht zoals ze daar door het bos rent te razen en te tieren. Tranen stromen, muren wankelen, vogels vluchten, donderwolken pakken zich samen. Het moet eruit, alles moet eruit, de hele woeste woede.
Ik weet dat mama de man wil beschermen.
Zo is mama, ze wil altijd iedereen om zich heen beschermen, alles voor iedereen doen,
en ze zoekt altijd de fout bij zichzelf, zo is ze.
Mama, die altijd alles van iedereen begrijpt omdat ze zich in anderen kan verplaatsen, die altijd snapt waarom anderen doen wat ze doen.
Daarom is ze ook psycholoog.
Ze wordt nooit boos op mij, ook niet als ik de tijgeritus krijg, omdat ze weet dat ik er niets aan kan doen.
Dan heeft ze gewoon een recept om het probleem op te lossen.
Alleen heeft ze deze keer denk ik geen goed recept, ook al doet ze van wel.
Ik ben toch niet achterlijk!
Normaal is mama`s vrolijkheid als roomboter, maar nu is haar vrolijkheid margarine: flauw en zonder smaak.
En zelfs nu nog begrijpt ze de man.
Maar genoeg is genoeg. Je kunt nou eenmaal niet altijd alles accepteren, soms moet je in actie komen; er komt een moment dat je het leven moet oprollen, in de puntenslijper moet steken en zeggen: DIT PIK IK NIET, wereldje!
“Het leven gaat door, liefje” , zegt mama glimlachend. Maar dat is niet waar: het leven gaat niet zomaar door, niet voor iedereen.
Advertenties

Over Rebekka Nirel Engels

Disillusioned words like bullets bark....Dat zijn woorden vol desillusie die blaffen als honden, als kogels. De klanken versterken de woorden. Wanneer blaffen de gedesillusioneerde woorden als blaffende kogels? Dat doen ze als menselijke goden hun doel najagen...( Bob Dylan begrijpt mij wel✌️)
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s