Nietzsche in het kort

Ik heb besloten om de rest van mijn leven te wijden aan mijn dochters,en tevens aan alle kinderen van de wereld. Dit is mijn roeping, mijn levensopdracht; bijgestaan door onder meer mijn grote held, filerend filosoof en man van diepe inzichten, Friedrich Nietzsche.

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is bij uitstek een filosoof in wiens naam mensen met de meest uiteenlopende en veelsoortige meningen rechtvaardiging voor hun ideeen hebben proberen te vinden: anarchisten, feministen, Hitler, aanhangers van religieuze sekten, socialisten, marxisten, avantgarde-kunstenaars, aartsconservatieven.. Hij is na z`n dood vaak zonder scrupules misbruikt door vele bewegingen die een icoon nodig hadden.
Er is bijna geen cultureel of artistiek belangrijke Duitser van de laatste 100 jaar die niet heeft erkend door hem beinvloed te zijn – van Peter Sloterdijk tot Kierkegaard tot Thomas Mann, Jung en Heidegger. En tijdens de jaren zestig en zeventig kwam Nietzsche meer en meer opnieuw in het brandpunt van de belangstelling te staan van aanhangers van de kritische theorie, post-structuralisten en deconstructivisten. Tijdens zijn leven was er echter nauwelijks aandacht voor zijn werk; en hoewel hem dat niet bitter maakte, betreurde hij het wel, omdat hij geloofde dat hij zijn tijdgenoten cruciale waarheden mede te delen had, die zij negeerden tegen een vreselijk hoge prijs – een van zijn meest juiste voorspellingen ( Wereldoorlog 1 en 2).

Nietzsche wilde tot iedere prijs vermijden dat hij werd opgenomen in academische kringen, omdat daar alles een thema tot gesprek wordt, en niets een aanleiding tot handelen. Zijn geheel eigen manier van schrijven wordt vaak verfrissend gevonden. Zijn boeken bestaan gewoonlijk uit korte essays van minder dan een pagina, in een stijl die neigt naar het aforische. Veel van zijn quasi-aforismen zijn radicaal naar inhoud; en al krijg je slechts een vage indruk van zijn voorkeuren, je zult zeker veel ontdekken over zijn antipathieen – waaraan Nietzsche bijna altijd in termen uitdrukking geeft die tegelijkertijd geestig en extreem zijn. Geen enkel aspect van de Duitse beschaving van zijn tijd lijkt hem te bevallen: de gedachte die daar achter zit, namelijk dat we gedoemd zijn ten onder te gaan als we geen radicaal nieuw begin maken, omdat we de funeste gevolgen ondervinden van meer dan tweeduizend jaar fundamenteel verkeerd denken over bijna alles wat van essentieel belang is – geeft carte blanche aan mensen die wel iets voelen voor het idee van een radicale breuk met hun hele culturele verleden.

In zijn werken na “de Geboorte van de Tragedie” schreef hij zijn rijpere werk, en ontwikkelde hij zijn inzichten met een weergaloze snelheid – zo`n snelheid, dat hij zelden de moeite nam om aan te geven dat hij van gedachten was veranderd ten opzichte van voor “Geboorte van de Tragedie”. Zonder twijfel wilde hij hier ook mee laten zien dat men niets in zijn verleden moet betreuren, dat niets vergeefs is. Zijn eerste boek, “De Geboorte van de Tragedie” ,is een onstuimig boek dat wordt voortgestuwd door de intensiteit van een merkwaardig enthousiasme en door de wens zoveel mogelijk thema`s in een zo kort mogelijk bestek te behandelen.
Zonder Nietzsche`s intensieve omgang met, en idolate bewondering voor Richard Wagner zou dit boek waarschijnlijk niet geschreven zijn. Zijn voorwoord is in deemoedige nederigheid opgedragen aan deze hooggeeerde maestro, en het boek zelf is doortrokken van een concrete heilsverwachting. Wagner was in de ogen van Nietzsche de Messias die Duitsland van zijn culturele gezapigheid zou verlossen. Er gloorde iets prachtigs aan de horizon van dit bondgenootschap tussen Nietzsche en Wagner: de Duitse muziek en de Duitse filosofie zouden elkaar aanvullen en wederzijds bevruchten, en er zou een herleving van de Griekse cultuur uit ontstaan zoals die gestalte had gekregen in de klassieke tragedie. Helaas zou aan deze droom spoedig een einde komen, bij het einde van de vriendschap tussen Nietzsche en Wagner.In dit boek echter wil Nietzsche een breed georienteerde cultuurfilosofische studie schrijven over de Griekse Geest. EN een diagnose stellen van de stand van zaken van de Duitse geest en een perspectief bieden op de toekomst van het culturele leven in Duitsland. Nietzsche toont aan dat de klassieke Griekse tragedie zich heeft ontwikkeld vanuit de dynamiek van twee fundamentele principes, twee artistieke driften, vernoemd naar de twee Griekse goden van de kunst: Apollo en Dionysus. Het Appolinische staat voor een droom en de beeldhouwkunst, het Dionysische staat voor de roes en de waanzin, de “heksendrank van wellust en wreedheid”. Het Dionysische vindt vooral een uitlaatklep in de muziek. Nietzsche voelde zich uiteraard verbonden met het principe van Dionysus. In de periodes van de Griekse cultuur kwamen beide kunstdriften uiteindelijk tot een verzoening in de Attische tragedie. Het zijn de grote tragici Aeschylus en Sophocles die deze twee fundamentele kunstdriften met elkaar verstrengeld hebben. Met hen wordt de tragedie als kunstvorm geboren en tot bloei gebracht. Met Euripides begon echter het verval: hij verwijderde het Dionysische element uit de tragedie, waarmee ook het echte leven van het toneel verdween. Wat ervoor in de plaats kwam, is het Socratische element; het inzicht, de verlichting, het weten.Daar staat tegenover dat alles wat uit instinct gebeurt afkeurenswaardig is, en daarmee ontkent Socrates het Griekse wezen: hij durft het aan met een diepgewortelde traditie te breken. Socrates is als logicus en theoreticus de niet-mysticus bij uitstek. Bij Socrates`leerling Plato wordt deze intellectualistische tendens voortgezet. Dit blinde geloof in de wetenschap nu, dat in het vervolg de gehele Westerse cultuur domineert, dringt alle uitingen van het Dionysische naar de marge. Nietzsche`s analyse is dat heel onze moderne wereld gevangen zit in haar ideaal van met de meest verfijnde kennisvermogens toegeruste, in dienst van de wetenschap werkende, theoretische mens, wiens stamvader Socrates is. Wat Socrates in de ogen van Nietzsche tot zo`n fundamenteel antitragische figuur maakt, is diens geloof in de almacht van de Rede. Terwijl bij alle productieve mensen het instinct juist de creatief-affirmerende kracht is, en het bewustzijn zich bij hen kritisch en afhoudend opstelt, wordt bij Socrates het instinct tot criticus, en het bewustzijn tot schepper – de ware monstruositeit per defectum dus!

Heel onze opvoeding is op dit ideaal gericht; dit theoretische streven wordt gezien als de edelste en meest verheven activiteit van de mens. Maar hoe verder de wetenschap reikt, hoe dichter zij haar grenzen nadert. er komt een moment waarop de theoretische mens op het onverklaarbare stuit, datgene wat niet door wetenschap maar enkel door kunst te vatten is. Hier, aan de grenzen van de wetenschap, stelt de mens volgens Nietzsche vast “hoe de logica om haar eigen as draait en zich ten slotte in de staart bijt”. Oftewel: de theoretische mens komt tot het besef van zijn fundamentele ontoereikendheid, en dan breekt er een nieuwe vorm van kennen door, het tragische kennen. Op dit punt verraadt Nietzsche de inspiratie die hij uit de werken van Schopenhauer haalde. Het is duidelijk waar Nietzsche naartoe wil: naar een herwaardering van het Dionysische element in de kunst – de manier waarop wij het principe van de individuatie kunnen overwinnen. Zoals voor de Grieken uit de tijd van Homerus het bestaan, ontdaan van enige luister ( in de vorm van schouwspelen), ondraaglijk zou zijn geweest, en daarom dus goden nodig hadden. Niet om zichzelf te troosten met het idee van een beter leven in het hiernamaals,maar om het verschil te markeren tussen het leven dat zij konden leiden en de onsterfelijke levens van de goden die – juist omdat zij onsterfelijk waren – zo roekeloos en onverantwoordelijk konden zijn.

Dit was Nietzsche`s eerste poging om betekenis te geven aan een uitdrukking waaraan hij in zijn latere leven verslaafd raakte, een “pessimisme vanuit kracht”. Hij was nooit onervaren genoeg om optimist te zijn, om te denken dat het leven ooit heerlijk zou zijn. Hij was van mening dat wij ons, als niet-helden, alleen maar kunnen bezighouden met het verbeteren van “de kwaliteit van het leven”. Het leven au fond zal altijd het individu verwoesten; daarom moeten mensen zichzelf toestaan hun individualiteit achter zich te laten en te genieten van de dyonisische kunst.
Hij vroeg zichzelf af: waarom liever waarheid dan onwaarheid? Wat is het in onszelf dat ons altijd aanspoort om de waarheid te zoeken? Hoe kunnen we het bestaan dragelijk maken als we eenmaal inzien wat het werkelijk inhoudt? Het allerbeste is voor ons totaal onbereikbaar: niet geboren te zijn, niet te zijn, niets te zijn. Meer betekenis nog heeft het, dat dit Nietzsche`s eerste melding is van zijn opvatting ( die hij ook in zijn eigen ziekelijke leven op heldhaftige wijze in de praktijk bracht) om aan pijn geen vanzelfsprekend negatieve rol in het leven te geven. Tegelijkertijd was hij bezeten van het idee dat de wereld een plaats is met zoveel gruwelijks, dat iedere poging om in morele termen een betekenis eraan te geven, eenvoudigweg tot mislukken gedoemd is. Al was hij altijd gevoelig genoeg voor het lijden van anderen ( hij stond ongelofelijk stoicijns tegenover zijn eigen lijden) om het onaanvaardbaar te vinden dat dit verklaard werd als iets dat goed voor ons is , als straf voor onze wandaden ( de Kerk), en meer van dat soort holle frasen. Al met al is Nietzsche`s wereldvisie de meest optimistische versie van een pessimistische wereldvisie die ooit is neergeschreven.

Na de “Geboorte van de Tragedie” begon Nietzsche aan een reeks verhandelingen voor alle tijden, die hij daarom “Oneigentijdse Beschouwingen” noemde. In dit boek verviel hij voor het eerst en het laatst tot een wijdlopige en omslachtige manier van schrijven. Nietzsche opent het boek al met een prachtige stelling: “een grote overwinning is een groot gevaar. De menselijke natuur verdraagt haar moeilijker dan een nederlaag”.
Wat is er nu zo oneigentijds aan deze beschouwingen? Als er een centraal thema is, dan is het de culturele versuffing en zelfgenoegzaamheid waarvan Nietzsche zijn tijd beschuldigt.
Wat hem nog het meest ergert, is de kwezelachtige stijl van het formuleren van gedachten in die tijd ( met name verpersoonlijkt in de persoon en het werk van David Friedrich Strauss, tegen wie Nietzsche flink tekeer gaat): Nietzsche onderschreef namelijk de stelling van Schopenhauer dat wie zijn gedachten niet helder en adequaat formuleert, altijd iets te verbergen heeft.
Hij verwacht het heil niet zozeer van onderwijskundige hervormingen als wel van grote mannen. Nietzsche waarschuwt voor een teveel aan geschiedenis en richt zijn blik weer op het onderwijs: hij laakt de manier waarop de jeugd wordt volgestouwd met kennis van het verleden en beladen met de last van vorige generaties. Dit alles gaat ten koste van haar vitaliteit, scheppingskracht en vernieuwingsdrang. De jeugd kan alleen nog cogito ergo sum zeggen, terwijl haar eigenlijke leus zou moeten luiden: vivo ergo sum! In zijn tweede beschouwing, “over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven” komt Nietzsche met een van zijn meest gevleugelde termen: de “beschavingsfilister”:
iemand die op de hoogte is van wat hij moet weten, en die ervoor zorgt dat dat geen invloed op hem heeft. Dit tweede deel is een echte bespiegeling over de mate waarin wij de last van kennis kunnen dragen, in het bijzonder kennis over het verleden, zonder onze onafhankelijkheid te verliezen ( zie eerder). Vanaf hier wilde Nietzsche van niemand nog een dicipel zijn ( hij was dat eerder wel van Wagner, van wie hij alle heil voor het Duitse volk verwachtte). Nietzsche behoort bij uitstek tot die klasse van schrijvers, die op hun best ongeevenaard veel inzichten hebben, en op hun slechtst hooghartig en verwarrend zijn.

Belangrijk is om bij het lezen van Nietzsche je er altijd van bewust te zijn dat vrijwel alle eigennamen in zijn boeken ( ook God) niet staan voor individuen, maar voor bewegingen, tendenties, manieren van leven. Dit kenmerk van hem is vaak briljant, maar kan soms ook misleidend zijn wanneer je je er niet van bewust blijft.

In het boek dat hierop volgt, “Menselijk, al te menselijk”,
komen er een aantal thema`s aan bod die in het boek steeds weer van een andere kant worden belicht. Zo is daar het probleem van de vrijheid van de wil, en daarmee samenhangend de vraag in hoeverre de mens verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn handelingen. Nietzsche verdedigt met verve het standpunt dat er van een vrije wil geen sprake kan zijn ( hierin toont hij zich geinspireerd door Schopenhauer, en een inspirator voor de latere Freud), en dat het dus ook onzinnig is om de mens verantwoordelijk te stellen voor zijn daden. Daarmee vervalt ook het begrip schuld.
Het thema van vergelding en straf hangt nauw samen met het vorige thema. Nietzsche onderzoekt wat de functie van straf is in een geciviliseerde samenleving. Hij toont aan dat het doel van de straf niet gelegen is in het in standhouden en sanctioneren van de zedelijke orde, maar louter de functie heeft van afschrikking. Straf is het enige middel om de mens, die even onberekenbaar is als het wilde dier, te temmen en hem geschikt te maken voor een samenleving. Straf heeft dus niets te maken met de moraal, maar alles met machtspolitiek en uiteindelijk met de wil tot macht.
Een ander thema is de neiging van de metafysici om de werkelijkheid in vaste, abstracte en universele begrippen te persen. Een belangrijke rol is hier weggelegd voor de taal ( Noot: Nietzsche was aanvankelijk geen filosoof, maar filoloog -reeds op 24-jarige leeftijd werd hij in Bazel benoemd tot hoogleraar klassieke Filologie). Maar elke vorm van taal doet de werkelijkheid, die niets anders is dan een willekeurige som van incoherente veranderingsprocessen, geweld aan.

De opstelling die Nietzsche tegenover deze thema`s kiest is die van de ontmaskeraar. Hij spoort alle idealen en ideologieen op; of ze nu een godsdienstige, ethische of politieke oorsprong hebben en legt ze als een chirurg op de snijtafel, waar hij ze ontleedt om te laten zien dat er altijd een onuitgesproken belang achter schuilgaat. Zo sneuvelen onder zijn handen “het genie”, “de heilige”, “het medelijden”, “het geloof”, en “het-ding-op-zichzelf”, stuk voor stuk aardse zaken die door bevlogen metafysici of kerkvaders worden gepresenteerd alsof ze ze uit een bovenzinnelijke wereld hebben geplukt; en die ze vanwege die bovenzinnelijke herkomst boven elke discussie verheven achten en als onbetwiste norm willen laten gelden. Daartegenover stelt Nietzsche een heel andere houding, namelijk een waarbij “we weer goede buren van de meest nabije dingen worden, en niet zo minachtend als tot dusver over ze heen naar wolken en nachtgedrochten kijken”.
Het is precies om deze reden dat “Menselijk, al te menselijk” bij deze hemelbestormers zo`n schok teweegbracht en hun woede wekte. Ze voelden zich te kijk gezet, verraden, en dat uitgerekend door iemand die ze jarenlang als een van de hunnen hadden beschouwd.

Noot: Nietzsche heeft altijd zeer goed de kunst verstaan om zichzelf op papier te troosten. Dit boek dateert uit een periode van diepe vertwijfeling in het leven van Nietzsche. Aan het einde van zijn vorige boek ( Oneigentijdse Beschouwingen) stortte zijn beeld van Wagner als Messias ineen, en dat markeerde ( om precies te zijn op de Bayreuther Festspiele van 1876) ook het begin van zijn innige vriendschap met Wagner. Nietzsche`s wereld stort in, en deze breuk zal de meest traumatische gebeurtenis van zijn leven blijken – juist omdat alle bakens van Nietzsche`s vroegere denken uitgezet waren in maar een richting: Wagner. Nietzsche ervaart dus op pijnlijke wijze dat het de hoogste tijd is om zich opnieuw op zichzelf te bezinnen en de balans op te maken van zijn leven tot dusverre. Hij voelt zich ontheemd, en deze ontheemdheid leidt tot ziekte. En de slotsom is dat hij nog te zeer wordt beheerst door denkbeelden en sympathieen die niet in zijn natuur thuishoren. Hij is nog bij lange na niet de zelfstandige denker die hij zichzelf opdraagt te zijn. Wil hij werkelijk vrij zijn, wil hij werkelijk een vrije geest zijn, dan zal hij zich eerst moeten ontdoen van al dat vreemde in zijn natuur, van alles wat in strijd is met zijn innerlijke roeping. In zijn eigen krasse en theatrale stijl karakteriseert hij dit boek als volgt: “dit monument van een rigoreuze zelftucht, waarmee ik bij mezelf aan alle binnengesmokkelde hogere bedriegerij, idealisme, verheven gevoel en meer van die verwijfde fratsen een einde maakte”. Zijn breuk met Wagner betekent niet alleen een kentering voor zijn loeven en denken, maar ook voor een ommekeer in zijn kijk op kunst. Hij gaat langzamerhand beseffen dat de kunst, zelfs in haar hoogste gedaante van de muziek, geen toegang biedt tot een hogere zijnsorde, en tevens geen bron is van culturele vernieuwing. De muziek is op zijn hoogst een narcoticum. Het is vanaf dit boek dat Nietzsche zijn zo kenmerkende aforistische schrijfwijze hanteert: losse gedachtesplinters die elkaar overlappen of zelfs tegenspreken. Hij is een zoekende, en wil geen theorie bewijzen of zijn lezers overtuigen of een visie aanpraten: integendeel, hij wil de lezer tot nadenken prikkelen en gedachten aandragen die nieuwe gedachten opwekken.

In “De vrolijke Wetenschap” – Nietzsche`s meest zonovergoten boek – spreekt de wijze Nietzsche, de psycholoog van het concrete menselijke gevoel, die zijn observaties op onnavolgbare wijze onder woorden weet te brengen. Het draait om twee belangrijke boodschappen:
1. God is dood, en wij hebben hem vermoord, en
2. er is sprake van “een eeuwige wederkeer”.
Dit boek is ook het boek van de overgang. Hier voltrekt zich een metamorfose: Nietzsche de positivist verandert in Nietzsche de vitalist. Het belangrijkste vermogen van de mens is vanaf nu de wil, die per definitie de wil tot macht is. Als waar(heid) wordt alleen datgene aangenomen wat bevorderlijk is voor het leven, wat bijdraagt aan de vergroting van macht. Waarheid komt geen universele waarde toe, en waarheid kan ook geen aanspraak maken op objectiviteit, net zomin als de moraal of het bovenzinnelijke, c.q. God. Hiermee heeft Nietzsche de drie belangrijkste pijlers onder het westerse denken weggeslagen. Zoals gezegd wordt in dit boek de dood van God aangekondigd. En of dat al niet schokkend genoeg is, wordt eraan toegevoegd dat Hij vermoord is. Nietzsche, als gelovig protestant opgevoed (zijn vader was dominee), lijkt het huiveringwekkende en vermetele van die boodschap terdege te beseffen. Wellicht is dat de reden dat hij deze woorden in de mond legt van een “dolle mens”. Maar de dolle mens is zo dol nog niet of hij beseft wat de consequenties van de dood van God zijn, en dat die even huiveringwekkend als veelbelovend zijn: aan de ene kant hebben wij het fundament onder al onze onzekerheden weggeslagen, maar aan de andere kant hebben we ons ook bevrijd van een allesoverheersende macht, en er aldus een totale autonomie voor in de plaats. Het einde van God betekent dus voor de mens een nieuw begin en een nieuwe opdracht, een opdracht groter dan er ooit een aan ons is gegeven, namelijk om zelf goden te worden. Het is dus zaak deze autonomie met alle kracht die in ons is te verwelkomen en er invulling aan te geven. Dat is Nietzsche`s boodschap: de dood van God biedt de mogelijkheid de totale autonomie te bereiken.

Naar het tweede punt, de eeuwige wederkeer: deze gedachte van van de “eeuwige wederkeer” werd gaandeweg door Nietzsche beschouwd als de essentie van zijn filosofie. Ze mag dan op zichzelf niet nieuw zijn ( zie de Indische filosofie), Nietzsche is wel de eerste die de enorme consequenties ervan overziet en doordenkt. Voor hem wordt ze uiteindelijk een religie zonder god. De gedachte van de eeuwige wederkeer stelt de mens voor een uitdaging: een leven te aanvaarden waarvan de diepste zin is de eeuwige terugkeer van alle dingen. Het heroische van deze daad van bevestiging zet Nietzsche af tegen de “laffe ontkenning” van het leven, de verzaking van het aardse ten gunste van een hiernamaals ( de hemel) zoals dat in het christendom gestalte heeft gekregen. De eeuwige terugkeer en de uitdaging die erin besloten lag, was Nietzsche`s antwoord op “de dood van God”, het was zijn antwoord op het nihilisme dat na het uitroepen van de dood van God op de loer lag.
Net als zijn vorige boek “Morgenrood” is “de Vrolijke Wetenschap” het werk van een vagabonderende Nietzsche, die zich aan niets of niemand meer verplicht voelt en die vrij is zich te vestigen waar het hem goeddunkt. Hij hechtte groot gewicht aan alle omstandigheden die ook maar enigszins van invloed konden zijn op het ontstaan van zijn gedachten. Het Noorden ( waartoe hij uiteraard zijn geboortestreek, Midden-Duitsland, rekende) associeerde hij met zwartgalligheid, bedomptheid, klamheid, donkerte, lage plafonds en een vochtig klimaat, weinig zonneschijn en een bedekte hemel. Onder zulke omstandigheden kon Nietzsche niet langer leven, laat staan denken en werken, daar was hij van overtuigd. Nietzsche`s devies luidde dan ook: alleen waar de lucht droog is komt de geest tot bloei, “het genie wordt bepaald door droge lucht, door heldere hemel”. In het Zuiden meende Nietzsche een aantal innerlijke conflicten, oude gevoeligheden, twijfels, maar ook gewone ziektes overwonnen te hebben: “ik heb mijn pijn een naam gegeven, en noem haar ‘hond’ – en ik kan de baas over haar spelen en mijn slechte humeur op haar botvieren”. Dit is dus het boek van een genezend of genezen mens, die in staat is op een lichtvoetige, luchtige manier wetenschap te bedrijven.

Vrij algemeen wordt “Aldus sprak Zarathoestra” – dat na “De vrolijke Wetenschap” kwam, als Nietzche`s belangrijkste werk beschouwd. Wat Nietzsche in dit boek bericht, klinkt zo overtuigend en echt, dat men noch aan de kracht en zuiverheid van de ingeving, noch aan het stormachtig machtsgevoel dat haar heeft begeleid, ook maar een ogenblik kan twijfelen. De kiemen voor dit boek zijn eigenlijk al gelegd in zijn “Oneigentijdse Beschouwingen”. De centrale thema`s in dit boek zijn wederom 1. “God is dood”, maar ook 2. het begrip “Wille zur Macht” – dat een beslissende rol gaat spelen in zijn latere filosofie. Maar in hoofdzaak wordt het boek toch beheerst door 3. de conceptie van de “Uebermensch”, en 4. de filosofie van de “ewige Wiederkunft” ( punt 1 en 4 zagen we reeds in het vorige boek ten tonele gebracht).
De term Uebermensch was natuurlijk niet nieuw: voor het eerst dook het op om aanhangers van Luther te duiden, in de strijd die om de Hervorming ontstond. We vinden de term ook in theologische geschriften uit de zeventiende en achttiende eeuw, bij Herder, en Goethe gebruikt het in zijn Ur-Faust. Maar wat betekent deze term bij Nietzsche?
Om te beginnen slaat het woord op de Uebermensch zoals die in de historie reeds enkele malen gestalte aannam. Mensen als Alexander de Grote, Cesare Borgia en Napoleon waren voor Nietzsche reele vormen van de Uebermensch. Daarnaast heeft het woord echter een op de toekomst gerichte en normatieve betekenis. Twee opvattingen staan bij de interpretatie hiervan tegenover elkaar. De eerste beschouwt de Uebermensch niet als het hoogste exemplaar, maar als een novum, dat zich tot de mens verhoudt als de mens tot de aap. Nietzsche gebruikt het hier als symbool. Deze hogere mens die Nietzsche op het oog heeft, zal dus voorlopig niets anders kunnen zijn dan een volwaardiger mensensoort – maar dat hij als het uiterst denkbare niet slechts een oppermenselijk, maar ook een bovenmenselijk exemplaar op het oog heeft gehad, bewijst al het feit dat hij dit normatieve genus niet de Obermensch, maar Uebermensch heeft genoemd. Over welke eigenschappen Nietzsche in de Uebermensch verenigd ziet is slechts bij benadering te beantwoorden, met name vanwege het wordend karakter van de Uebermensch. Daar waar Nietzsche in zijn begindagen nog een individualistische genie-voorstelling volgde, daar was zijn hoop nu gevestigd op een nieuw hogere soort, niet op slechts een enkele mens. Hij droomt dus van een nieuwe aristocratie.

Wat raadselachtiger is het idee van de eeuwige wederkeer; want wat heeft het voor zin zo te leven, dat men het bestaan nog ettelijke malen zou willen ondergaan, als dit bestaan reeds vanzelf een oneindig aantal malen terugkeert? Voor Nietzsche was de gedachte van de eeuwige wederkeer echter ook in de letterlijke zin zeer goed te verenigen met die van het eeuwige “worden”
Wat betreft het “God is dood”- gedeelte: sterk vereenvoudigd kan men zeggen dat Nietzsche`s strijd met de moraal, de priester, de democratie en het moderne nihilisme niets anders dan een strijd met “De Kerk” is geweest, waarin hij de eeuwenlange ondermijning belichaamd zag van de aristocratische en Dionysische waarden, die voor hem de essentie vormden van iedere cultuur.
Doordat het christendom het leven splitste in een eeuwige hemel en een vluchtig bestaan op aarde; doordat het – gewapend met het zondebesef – de wereld verduisterde tot een tranendal en de onschuld van het vlees bedierf; doordat het – uitgaand van de gelijkheid der zielen voor God – ontzenuwend werkte op een natuurlijk besef van waarde en rang, had het naar Nietzsche`s mening een cultuur in het leven geroepen die in ieder opzicht het tegendeel van de Grieks-Helleense was. De mens kwam tekort in het christendom; de adel van het lichaam werd besmeurd en vergiftigd, de waarden werden door christelijke deugden als medelijden, naastenliefde en nederigheid met de grond gelijk gemaakt.
Tot slot “Der Wille zur Macht”: Nietzsche`s cultuurkritiek is hier penetranter dan ooit, zijn greep op de stof is nog meer omspannend en vaster, en nergens zijn de perspectieven die hij opent zo scherp en rijk geschakeerd. Als je dus al van een hoofdwerk bij Nietzsche kunt spreken, dan zou het het gedeelte “Der Wille zur Macht” uit Zarathoestra dienen te zijn, omdat dit niet alleen zijn rijkste en diepste, maar ook zijn meest volledige is. Nietzsche voorspelt de opkomst van het nihilisme voor de komende twee eeuwen: “een stroom gelijk die naar het einde wil, die zich niet meer bezint, die bang is om zich te bezinnen”. Maar met deze formule brengt Nietzsche meteen een tegenbeweging tot uitdrukking: een beweging die in een toekomst dit volkomen nihilisme vervangen zal. Deze tegenbewging is veronderstelt, logisch en psychologisch, en kan enkel en alleen op en uit het nihilisme volgen. Wij moeten namelijk het nihilisme eerst beleven om erachter te kunnen komen wat eigenlijk de waarde van deze waarden was – wij hebben vroeg of laat nieuwe waarden nodig.

De eenheid van Nietzsche`s werk ligt dieper dan die van een enkel despotisch filosofisch motief, en is uitsluitend te vinden in de eenheid van zijn natuur. Nietzsche heeftbnamelijk niet alleen zijn strijdmethodes, zijn stijl , zijn uitspraken en opvattingen herhaaldelijk gewijzigd; ook de drijvende motieven van zijn filosofie zijn niet altijd dezelfde geweest. Van de filologie heeft Nietzsche het goede, langzame lezen geleerd, en bovendien deed het hem jarenlang omgaan met teksten. De Grieken waren voor Nietzsche niet slechts de scheppers en dragers van een beschaving; zij waren voor alles het volk dat een antichristelijke/-kerkelijke beschaving had voortgebracht, in zijn ogen de hoogste en rijkste die er ooit was geweest. De filosoof van wie Nietzsche het meeste geleerd heeft en over wie hij altijd vol eerbied is blijven spreken, is Heraclitus geweest. Niet alleen omdat Heraclitus` “leer van het worden” hem boeide, maar ook omdat Heraclitus verklaard had, dat de strijd de vader van alle dingen is.En natuurlijk zag Nietzsche in de Griekse cultus der Dionysische mysterien de diep vervlochten samenhang tussen onbedwingbare levenskracht en verwoesting, tussen vervoering en dood. Van Nietzsche is de uitspraak dat de mens wordt bepaald door de mate waarin hij in staat is te lijden – en de tragiek van het leven werd door Nietzsche in zijn eigen leven ten volle aanvaard.

Over het volgende boek, “Voorbij goed en kwaad” , schreef Nietzsche aan een oude vriendin dat het eigenlijk pas rond het jaar 2000 gelezen zou mogen worden; en een recensent had het boek tot Nietzsche`s volle tevredeheid “dynamiet” genoemd. Hij bevestigde er eens te meer mee dat hij niet schreef voor zijn tijdgenoten ( evenals Schopenhauer overigens), maar voor het nageslacht.
Vanaf dit punt begint Nietzsche zijn vrienden te waarschuwen voor elk nieuw boek dat van hem uitkomt; alsof hij bang is dat hij hen zal shockeren en dat ze zich daarom van hem zullen afkeren – hij heeft al te vaak vrienden verloren. Het vermogen om de dingen op hun juiste waarde te schatten, lijkt bij Nietzsche vanaf hier steeds verder te zoeken: met elk boek dat na Zarathoestra verschijnt, meent hij de wereld op haar grondvesten te doen wankelen. Eveneens leek hij ervan overtuigd te zijn dat de verkoop van zijn boeken, in elk geval tot aan zijn dood, omgekeerd evenredig zou blijven aan de kwaliteit en het wereldschokkende ervan. In de praktijk van alledag gedraagt hij zich overigens als het tegenbeeld van zijn schrijven: mensen die met hem omgaan maken onveranderlijk melding van zijn zachte melodieuze stem, zijn breekbaarheid, zijn zachtmoedigheid, zijn voorkomendheid, en zijn bescheidenheid. Zo lijken er twee zielen in Nietzsche te huizen; een uiterst beschaafde, voorkomende en bescheiden ziel die zich in het sociale verkeer manifesteerde, en een explosieve, razende, niets en niemand ontziende ziel die in zijn boeken tot uitdrukking komt.

In de kern draait dit boek erom dat in de wereld geen waarden gevonden kunnen worden, en het daarom des te noodzakelijker is om er waarden aan te geven. De eerste redeneringen in dit boek zijn vernunftig opgezet om ons zo onzeker mogelijk te maken over ons standpunt ten aanzien van datgene wat wij als onze fundamentele waarde beschouwen: de waarheid. Hij psychologiseert onze betrekkingen met de wereld – van de waarheid stapt hij over op de wil tot waarheid. zo zegt hij: “gesteld dat we de waarheid willen: waarom niet liever onwaarheid? En onzekerheid? Zelfs onwetendheid? Voor veel lezers zal het idee alleen al om onwaarheid te willen iets heel geks hebben. Zeggen dat men de onwaarheid over iets wil, vertoont kenmerken van een logische paradox ( zie hier de verwantschap met wat we in de psychologie de “fixed-fantasy-disorder” noemen). Voor de meeste mensen is het helemaal niet raar om te zeggen: “veel dingen die ik geloof zijn niet waar”. We vinden het echter wel raar om te zeggen: “veel dingen die ik geloof zijn niet waar”…. en dan een lijst met voorbeelden te geven. Zeggen dat iets niet waar is, is in onze ogen immers hetzelfde als zeggen dat men het niet gelooft. Waar hij in de eerste paragraaf onze wil tot waarheid onderzoekt, daar onderzoekt hij in de volgende paragraaf onze wil om te denken dat bepaalde soorten beweringen waar zijn: hij wil laten zien dat wat we als de fundamentele waarde beschouwen, de waarheid, in feite te herleiden is uit andere, instictievere waarden. Vervolgens is Nietzsche alweer op het volgend punt overgegaan: in tegenstelling tot de opvatting van menig lezer, namelijk dat de waarheid een kwestie van bewust nadenken is,, beweert hij dat de activiteit van filosofen zich grotendeels afspeelt op een instinctief niveau, geleid door fysiologische vereisten voor de instandhouding van een bepaald soort leven. En in VGK 4 heeft Nietzsche nog meer intellectuele ontmoediging voor ons in petto.

Steeds geestdriftiger wijst hij erop dat we niets meer zijn dan onze driften, onze herinneringen ( een dankbare bron van inspiratie voor de latere Freud), en de andere gemoedstoestanden en neigingen die wij kunnen toeschrijven aan een subject dat mythisch blijkt te zijn. En deze gemoedstoestanden zijn zodanig bepaald door de maatschappij waarin wij opgroeien, dat we niet in staat zijn afstand te nemen van onszelf en te zien wat voor iemand we zouden zijn als we niet waren blootgesteld aan alle invloeden van buitenaf. Zijn oplossing ligt in een van zijn meest bejubelde inzichten, dankzij zijn verwantschap met het gedachtegoed van de deconstructivisten. Hij gelooft niet dat er zulke dingen bestaan als feiten zonder interpretatie. Kortom: wat hij ons probeert duidelijk te maken, is dat onze opvattingen, in het bijzonder die over waarden, nooit losstaan van de plaats die we in de wereld innemen. Hij stelt dat de onwaarheid van een oordeel nog geen reden is om het te verwerpen. We dienen ons alleen af te vragen in welke mate het levensbevorderend en levensbehoudend is.
Nietzsche wil afrekenen met alle dogmatische filosofie, met haar traditionele kenleer en haar naar exclusiviteit strevende moraal, zoals die in het christendom zijn praktische consequentie heeft gekregen. Hij bestrijdt het dogma van de vrije wil en trekt er de consequentie uit dat een mens zonder vrije wil ook een mens zonder verantwoordelijkheid is, dat hij niet op zijn daden kan worden aangesproken. Nietzsche bestrijdt de universele status van het in de ethiek zo gangbare begrippenpaar “goed en kwaad”. Om dat duidelijk te maken onderscheidt hij twee fundamentele types van moraal: de herenmoraal en de slavenmoraal. Hij laat zien dat “goed en kwaad” een uitvinding is van de slaven, de onderdrukten; en dat de heren, de voornamen, spreken van “goed en slecht”. Hij wil dus het perspectivisme in de metafysica, de kenleer en de ethiek aantonen.

Op dit boek volgt “De Genealogie van de Moraal”; hierin gaat hij in feite verder in op wat hij in zijn vorige boek reeds aansneed: de morele themathiek . Hier worden de conclusies getrokken uit de premissen die hij eerder formuleerde. Centraal staan enkele grondbegrippen uit de ethiek, zoals schuld en geweten, en het ascetische ideaal. Nietzsche is niet zozeer geinteresseerd in wat deze begrippen binnen een bepaalde moraal betekenen of wat hun normatieve gehalte is, als wel in hoe ze zijn ontstaan en wat hun functie is in een georganiseerde samenleving. De vraag die volgens hem gesteld moet worden is niet wat de waarde is van bepaalde handelingen volgens de geldende moraal, maar wat de waarde is van die morele waarden zelf. Hij wil zijn oren niet sluiten voor de nieuwe eis die gesteld wordt aan ieder die serieus over de moraal wil nadenken. Deze luidt: “we hebben een kritiek van de morele waarden nodig, de waarde van deze waarden moet ter discussie worden gesteld”. Volgens Nietzsche is de ontwikkeling van de moraal namelijk dialectisch van aard. En weer komt hij met de herenmoraal en de slavenmoraal als voorbeeld. Elk van deze twee groepen probeert zoveel mogelijk macht over de andere groep te krijgen. De moraal is het belangrijkste instrument in die machtsstrijd.

De machtigen, de heersers eigenen zich het recht toe om zelf waarden te scheppen en te benoemen. Zij noemen zichzelf en hun handelingen goed; alles wat daartegenin gaat, alles wat zij beneden hun waardigheid achten, noemen zij slecht. In reactie hierop ontwikkelen de slaven, de onderdrukten en de verworpenen hun begrippenpaar goed en kwaad. In hun optiek is al datgene kwaad wat met de heersers en hun handelingen te maken heeft; met andere woorden al datgene waardoor zij zich bedreigd voelen.
Nietzsche weet precies aan te geven wanneer de slavenopstand van de moraal, deze omkering, zich voor het eerst heeft voorgedaan, namelijk op het moment dat het Jodendom zich begon te verzetten tegen de Romeinse overheersers. Dit is Nietzsche`s formule waarin de geschiedenis kan worden samengevat, waarbij het Jodendom ( dat hij Judea noemt) tevens ook voor het christendom en elke egalitaire moraal staat.

“De Antichrist” is de meest furieuze aanklacht tegen tijdgenoten ooit geschreven. Aan de hand van een koelbloedige ontleding van de fundamenten waarop het instituut Kerk berust, wordt de decadentie van de moderne Europese cultuur aangetoond. Nietzsche stelt de Kerk aansprakelijk voor de decadentie, die gefundeerd is op ressentiment, leugenachtigheid, tegennatuurlijkheid en verachting van de sexualiteit. Uit dit boek blijkt – of je het nu met hem eens bent of niet – dat Nietzsche`s innerlijk oog menigmaal scherper zag dan dat van de meeste anderen. Nietzsche aarzelt in eerste instantie om dit boek naar de uitgever te sturen. Hierbij moeten we bedenken dat hoe krijgshaftig en nietsontziend hij in zijn geschriften ook moge zijn, hij in het dagelijks leven een keurige, wellevende, bedeesde burger was die voortdurend geplaagd werd door paranoide gevoelens.

Het woord antichrist uit de titel is ambigu. Aan de ene kant lijkt Nietzsche ermee te verwijzen naar de door Satan gezonden apocalyptische figuur die een ongebreidelde haat zal zaaien; in het verleden zijn figuren als Nero, Mohammed en Napoleon als antichrist aangemerkt, en Nietzsche lijkt zich met zijn vloek over de Kerk in hun rij te willen scharen.
Aan de andere kant kun je de titel ook opvatten in de zin van “bestrijder en ontmaskeraar van de Kerk/het christendom”- waarmee hij zich in de traditie van de Verlichting plaatst. Nietzsche acht de Kerk, met Paulus en de vroege kerkvaders voorop, schuldig aan de ondergang van de antieke wereld: het christendom was de vampier van het imperium Romanum. Het is een heerlijk woedende en tierende Nietzsche die ons in dit boek tegemoettreedt. Maar het is geen blinde, onberedeneerde woede die hij hier ventileert. Als een koele vivisector legt hij de geheime drijfveren en verborgen machtswellust van de Christelijke Kerk bloot.
En in die zin ( Nietzsche`s vader was, zoals eerder genoemd, dominee ) is het de weergave van een pijnlijke worsteling met het geloof, en vooral in die hoedanigheid maakt het diepe indruk. Het heeft dan ook iets tragisch om iemand als Nietzsche, bij wie het protestantse erfgoed van vele voorouders als het ware in de genen gegrift is, zo wanhopig te zien vechten met iets waarvan hij zich nooit zal kunnen bevrijden. De toon die hij aanslaat is her en der zo extatisch, dat je je afvraagt hoe Nietzsche zich hier ooit nog uit kan redden. Dat lukt hem uiteindelijk door een aanval op de Kerk waarop Kierkegaard trots zou zijn geweest. Nietzsche`s razernij over wat geestelijken hebben gemaakt van de leer van Christus is groots in zijn passie, in zijn uitdrukking van walging over de verloedering. En het is regelrecht onthullend dat hij schrijft: “alleen de christelijke praktijk, een leven zoals hij die aan het kruis stierf het geleefd heeft, is christelijk. Ook nu nog is zo`n leven mogelijk, voor bepaalde mensen zelfs noodzakelijk: het echte, het oorspronkelijke christendom zal te allen tijde mogelijk zijn”.
Nietzsche heeft zo`n gelijk; want wat is funester dan werken, denken en voelen zonder innerlijke noodzaak, zonder dieppersoonlijke keuze, zonder passie? Als automaat van “de plicht”? Zijn geloof is dat het mogelijk is iemand te zijn die niet eerst hoeft te ontkennen. Oftewel: patere legem, quam ipse tulisti ( onderwerp je aan de wet die je jezelf hebt voorgeschreven) – voorwaar, een stuk beter dan Kant`s Kategorisch Imperatief!

In het laatste boek dat ik bestudeerd heb, “Ecce Homo” , zien we Nietzsche`s hoogste graad van sarcasme bereikt – het boek waarin hij zijn eigen leven aan zichzelf vertelt. Dit boek kun je niet uitleggen, je moet het lezen en herlezen. Hij schrijft: “Hoeveel waarheid verdraagt, hoeveel waarheid waagt een geest? Dat werd voor mij steeds meer de eigenlijke maatstaf”.

En : “Het grofste woord, de grofste brief is nog vriendelijker, nog fatsoenlijker dan zwijgen.
Mensen die zwijgen missen de nodige verfijning en wellevendheid van hart; zwijgen is een verwijt, iets inslikken leidt noodzakelijkerwijs tot een slecht karakter”. En: “Ik werd overvallen door ongeduld ten opzichte van mezelf; ik zag dat het de hoogste tijd was me opnieuw op mezelf te bezinnen. Toen nam mijn instinct een onverbiddelijk besluit tegen een nog langer toegeven, meegeven, mezelf met een ander verwarren. Elke manier van leven, de ongunstigste omstandigheden, ziekte, armoede – alles leek me te prefereren boven die onwaardige “onzelfzuchtigheid” waarin ik in eerste instantie terechtgekomen was als gevolg van onwetendheid, en waarin ik later was blijven hangen uit zogenaamd ‘plichtsgevoel’ “.
En: “Mijn diepste ik, als het ware bedolven, als het ware tot zwijgen gebracht onder een voortdurend moeten luisteren naar andere ikken, ontwaakte langzaam, schuchter, aarzelend – maar eindelijk liet het weer van zich horen. Nooit ben ik zo goed met mezelf af geweest als in die meest door ziekte en pijn gekwelde periodes van mijn leven”.

http://youtu.be/HDl3iUo__dY

Advertenties

Over Rebekka Eliza Dorothea Nirel Engels

Disillusioned words like bullets bark....Dat zijn woorden vol desillusie die blaffen als honden, als kogels. De klanken versterken de woorden. Wanneer blaffen de gedesillusioneerde woorden als blaffende kogels? Dat doen ze als menselijke goden hun doel najagen...( Bob Dylan begrijpt mij wel✌️)
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s