De Drempelgod, deel 2

Forever
“Om zijn reputatie als bezienswaardig dier gestand te doen, voert de mens het bewustzijn op tot het punt waarop het explodeert, en hij met haar in stukken wordt gereten. In deze zelfvernietiging vervult hij zijn essentie, volbrengt hij zijn taak: zijn eigen vijand te worden”. ( Emil Corian)
Is de “ik” waar wij zo mee zitten eigenlijk niet een zinloos concept waar we maar beter mee kunnen afrekenen? Friedrich Nietzsche stelde zich het als volgt voor: “wij zijn knoppen aan dezelfde boom – wat weten wij ervan wat er in het belang van de gehele boom van ons kan worden! Wij hebben echter een bewustzijn alsof wij alles wilden en moesten zijn. Ophouden met zich zulk een hersenschimmig ego te voelen! Stap voor stap leren het vermeende individu af te schudden! De dwalingen van het ego ontdekken! Inzien dat het egoisme een dwaling is! Vooral niet altruisme als tegenstelling daarvan opvatten, wat immers de liefde voor de andere vermeende individuen zou zijn. Nee, boven “mij” en “jou” uit!”.

Met ons bewustzijn beschikken we over het boeiendste, maar ook meest raadselachtige verschijnsel van de evolutie. En dat is een voorrecht met een bittere smaak en scherpe kanten – want door het bewustzijn onderscheiden we ons niet alleen van de rest van de wereld, maar worden we ( in ons hoofd) ook tot buitenstaanders, tot vreemdelingen in onze eigen wereld. Wat ons met onze voorstellingen hooguit kan lukken, schreef Robert Musil, is buiten onszelf te komen, maar nooit in onszelf.
Of, zoals Arthur Schopenhauer het eerder al stelde: “terwijl we greep proberen te krijgen op onszelf, blijkt tot onze schrik dat we niets anders najagen dan een spook”. En Soren Kierkegaard schreef: “Hel en verdoemenis; ik kan abstraheren van alles, maar niet van mijzelf; ik kan mijzelf niet eens vergeten als ik slaap”. En precies dat is in een notedop de kern en tegelijk de tragiek van het menselijke bestaan: het bewustzijn verhindert ons zowel geheel in de wereld of in onszelf op te gaan, zoals dat wel het geval zal zijn met stenen, planten en de meeste dieren – alswel er definitief afstand van te nemen. Peter Sloterdijk noemde dit het “paradigma van de pijn”- want door dit dubbele onvermogen van ons hebben we het idee te leven in een verscheurde wereld, en trachten dit met alle mogelijke intellectuele middelen in kaart te brengen. Maar zo neerslachtig als Schopenhauer ervan werd, zo opgewonden stemde het Martin Heidegger – want “wie het leven niet als een last heeft ervaren, weet ook niets van het geheim van het bestaan, en daarmee blijft de innerlijke schrik uit die in elk geheim schuilt en het bestaan zijn grootsheid verleent. Als we eraan kunnen wennen, lukt het ons steeds beter de humor ervan in te zien. “Want humor”, schreef Godfried Bomans, “is overwonnen droefheid, het is het litteken van de wond”.

Maar wie bekommert zich vandaag nog om de ziel? Het woord valt alleen op momenten van onachtzaamheid; het hoort thuis in liedjes: de muziek maakt het verteerbaar. Uit het gewone taalgebruik is het verbannen: het heeft teveel betekenissen te dragen gehad, teveel doelen gediend, het is verlept, afgetakeld, ontluisterd. Door het van alle kanten te bestuderen gaf zijn baas, de psycholoog, het de genadeslag. En dan te bedenken dat wijze mannen de ziel vroeger vereerden, hem boven de goden stelden en de wereld aan zijn voeten legden om hem daar naar goeddunken over te laten beschikken. Dit “weten ” van de ziel geschiedt namelijk met de andere kant van ons Janusbrein, van binnenuit, gevoelsmatig en intuitief, en betreft de nauwsamenhangende esthetische en ethische oordelen over goed en kwaad of mooi en lelijk – in tegenstelling tot wetenschappelijke kennis, die gaat over waar en onwaar.

Peter Sloterdijk stelt dat we ons enkel nog aan dit “weten van de ziel” durven blootstellen aan de hand van het esthetische product, als aan een niet-verslavende vorm van autoriteit, een niet-repressieve ervaring van rangverschil. Een kunstwerk ( in de meest ruime zin des woords) mag zelfs ons iets “zeggen”, ook al zijn we de vorm ontvlucht – omdat het heel duidelijk niet van de bedoeling blijk geeft ons te willen inperken. Wat zichzelf heeft blootgesteld ( en dat kan een songtekst zijn, een schilderij, beeld, mens, artiest, schrijver) en de proef doorstaan heeft, verkrijgt een niet-aanmatigend soort autoriteit.
Of anders gezegd: Zijn dat begrepen kan worden is taal; en taal die door het Zijn verlaten is, verandert in gezwets. Waar willekeur wordt uitgeschakeld, daar moet ware autoriteit oplichten. Volkomen is dus datgene wat een complete zin van het Zijn tot uitdrukking brengt ( dus bv. de geboorte van een kind). Daarom zal zo`n van Zijn vervuld ding/iets/iemand nooit ophouden ons toe te spreken. Het vermogen om dit innerlijke gebaar te maken, waarmee men in zichzelf ruimte voor deze onwaarschijnlijkheid creeert, zou heel goed kunnen samenvallen met het talent waarvan bijvoorbeeld Bob Dylan ontkent dat hij het bezit.

Het is het talent voor “religiositeit” in de zin van een aangeboren aanleg die ontwikkeld kan worden. Waar die aan het werk is, verwisselen objecten en subjecten soepel van plaats. Wanneer we ons bereid tonen om mee te gaan in zulke object-subject-omkeringen, valt de beloning ons ten deel in de vorm van een persoonlijke verlichting, of esthetische ontroering. Een kunstwerk ( in de vorm van een kind, songtekst, gedicht, natuur, beeld) dringt zich namelijk niet op, het stelt zich open. Hij stelt zich open doordat hij het erop laat aankomen of ik hem als ziende “zie”. Hij symboliseert een goddelijk magma, waarin zich iets van de ordenende macht openbaart die zo oud is als de wereld zelf. Ik leef weliswaar al, maar iets zegt tegen mij met ontegensprekelijke autoriteit: je leeft nog niet echt, je moet je leven veranderen!

Het is de autoriteit van een ander leven in dit leven. Ze treft mij aan in een subtiele insufficientie, die ouder en vrijer is dan de zonde. Het is mijn innerlijke “nog-niet”.

In mijn meest bewuste moment word ik getroffen door het absolute protest tegen mijn status-quo: mijn verandering is bittere noodzaak. Herhaling plus vertaling plus veralgemenisering is, als je goed rekent, gelijk aan verduidelijking. En is dit niet waar het ook in de filosofie om gaat? In feite is filosofie niets anders dan de modus van het denken die door de radicaalste vorm van vooringenomenheid wordt gekenmerkt, namelijk door de passie van het in-de-wereld-zijn. En met uitzondering van de vakfilosofen zelf, voelt vrijwel iedereen aan dat alles wat minder dan dit passiespel te bieden heeft, van geen enkel filosofisch belang is…       http://youtu.be/DreoihIeaAYForever

Advertenties

Over Rebekka Eliza Dorothea Nirel Engels

Disillusioned words like bullets bark....Dat zijn woorden vol desillusie die blaffen als honden, als kogels. De klanken versterken de woorden. Wanneer blaffen de gedesillusioneerde woorden als blaffende kogels? Dat doen ze als menselijke goden hun doel najagen...( Bob Dylan begrijpt mij wel✌️)
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Een reactie op De Drempelgod, deel 2

  1. DD zegt:

    Brilliant blog! Misschien nog een leuk boek voor je: André Klukhuhn – Sterf Oude Wereld.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s