Het land van duisternis en wervelwind…..

Als je in landen bent als deze hier, heb je meer te vragen dan te zeggen. Woestijnen zonder wegen…wat wil je dat een mens daarover schrijft? Dat je er ziek van wordt, je je dood verveelt, dat je ervan afstompt, dat je er genoeg van hebt maar er niet mee op kunt houden.. dat is alles wat erover te zeggen valt; en omdat geen mens dat leuk vindt, zou ik beter kunnen zwijgen. Soms weiger ik het leven nog te aanvaarden zoals het is, met z`n ontluisterende werkelijkheid, deze burgerlijke wereld met haar hypocriete moraal. Principes heb ik op zo`n moment even niet meer. In die gore alledaagsheid zoek ik echter naar een uitweg; mijn verbeelding moet me daarbij van dienst zijn – alles ademt een opstandige geest, haastig en zonder plan aan het papier toevertrouwd. Want achter de banale wereld van alledag gaat een andere, nog ongekende werkelijkheid schuil ( juist die werkelijkheden van de verbeelding dienen kunstenaars te onthullen). Ik ben de vrouw op windsnelle zolen…daar waar jij ( nee, dit is slechts tegen een denkbeeldig personage gericht, als ware het beeldspraak, haha) zeker zult eindigen als een zelfvoldaan man, die niets heeft gedaan en ook niets heeft willen doen. Het gaat erom het ongekende te bereiken,door de ontregeling van alle zintuigen. Het is een grote lijdensweg ( ik overdrijf lekker), maar je moet sterk zijn. Jammer voor het hout dat viool blijkt te zijn..

Heeft iemand de romantiek ooit op juiste waarde geschat? Het voornaamste wat een mens moet doen die schrijver wil zijn, is zichzelf leren kennen, zo volledig mogelijk; hij zoekt zijn ziel, onderzoekt en beproeft haar, leert haar verstaan. Heel wat egoisten roepen zichzelf tot auteur uit, en velen schrijven hun intellectuele ontwikkeling toe aan eigen kunnen. Maar het gaat erom de ziel monsterlijk te maken, alle soorten gif grondig op jezelf uit te proberen om slechts de kwintesses te bhouden. Dit is een onuitsprekelijke marteling waarvoor je alle vertrouwen, een welhaast bovenmenselijke kracht nodig hebt, waarbij je temidden van iedereen de grote zieke wordt, de grote misdadiger, de grote gedoemde ( wie heeft dat lef?) – en de opperste wijze, want je komt tot het ongekende! Schrijvers zijn rijke zielen, omdat zij beseffen dat ieder woord idee is.

Ooit nam ik de Liefde op schoot. Maar zij smaakte mij bitter. En ik heb haar gehoond. Al wat een mens maar kan hopen, wist ik uit mijn geest te bannen. Om iedere vreugde te smoren ben ik er roofdierstil op afgedoken. Rampspoed is mijn god geweest. Ik heb gelegen in het slijk. Ik liet mij drogen in de wind van de galg, en ik heb de waanzin op de hak genomen. Toen ik onlangs op het punt stond m`n laatste jammerkreet te slaken, kwam het in mij op de sleutel terug te zoeken, waardoor ik wellicht weer lust zou krijgen. Die sleutel is de naastenliefde. Zo`n inval bewijst dat ik heb zitten dromen…

Het is mij zonneklaar dat ik altijd heb behoord tot een minderwaardig soort. Van ware opstand begrijp ik niets. Maar altijd alleen, zonder verwanten; wat spreek ik eigenlijk voor taal? Nu ben ik nog vervloekt, ik zie watertandend uit naar God. Ik ben vervloekt tot in alle eeuwigheid. Gebukt onder mijn ondeugd – de ondeugd die mij slaat, teneer werpt, mij meesleept. Vooruit, op pad met m`n last, m`n verlatenheid, woede en verveling. Wie wil me huren? Welk dier moet ik aanbidden? Welk heilig huis intrappen? Welke harten breken? Welke leugen waarmaken? Ach, ik voel mij zo verlaten dat ik om het even welk godsbeeld mijn verlangen naar volmaaktheid aanbied…

Ik stond voor een razende menigte, oog in oog met het vuurpeloton, huilend om het leed dat zij niet konden bevatten, en vergaf hen. Ik heb nooit tot dit volk behoord; ik behoor tot het soort dat zong in de oven ( ja, sorry – hier moet je de Bijbel voor kennen..) Ik begrijp de wetten niet; moraal is niet aan mij besteed; ik ben een wilde – u vergist zich… Dit volk put inspiratie uit koorts en kanker, waarin ik, bijna afgestorven voor het goede, mijn licht weer zie opvlammen – streng als kaarsen bij een dode.

Ik heb geen trek meer in ellende. Razernijen, braspartijen, dwaasheid waarvan ik elke vervoering en verslagenheid ken – heel die last heb ik afgelegd. Ik sta bovenaan op de ladder van het gezond verstand ( maar wat saai….). Mijn leven is niet langer zwaar genoeg; het stijgt op en drijft weg, hoog boven de daad, dat toevluchtsoord van de mens. Ouwe hoer die ik word, zo weinig lef als ik nog heb om de dood lief te hebben! Vuur, vuur alstjeblieft op mij! Nu, of ik geef mij over!

Dit is de hel, de eeuwige straf. Kijk, de vlammen slaan eruit. Ik brand goed – zet `m op, duivel!
En ik wilde mij nog wel bekeren; ik heb in mijn leven een glimp van het geluk, van het heil gezien.
Zie ik daar geen eerzame zielen die het goed met mij menen? Er drukt een kussen op mijn mond; ze horen mij niet, het zijn spoken uit een dichtbij-verleden..

Zij herkennen elkaar altijd; zij walgen van elkaar.. Naastenliefde is hen vreemd, maar ze blijven beleefd; ze staan met iedereen op goede voet.
Trouwens, niemand denkt ooit echt aan een ander. Blijf maar uit mijn buurt. Ik ruik naar vuur, en hoe!
Aan hallucinaties geen gebrek. Dat heb ik altijd al gehad: het geloof in de geschiedenis kwijt, principes overboord. Daar praat ik maar niet over: dichters en zieners zouden maar jaloers worden….
Ik ben duizend keer rijker en geef zo weinig prijs als de zee.

Ik vraag niet om gebeden; met niets dan je vertrouwen ben ik al tevreden.. Er zou een hel moeten zijn voor mijn woede, en een voor mijn hoogmoed, en een voor mijn strelingen: een litanie van hellen. En dit gif, deze liefde, deze duizendmaal vervloekte liefde …. God, heb medelijden, neem mij weg, ik houdt het niet uit! Want ik ben weg en toch ook niet..
Ik ben verdoold, ik ben beneveld, ik ben onrein. Wat een leven. Nu de wijsheid mij is ontvallen, dool ik verdoemd en afgestorven rond door de wereld – en geen mens zal mij doden.

Ik ben zijn weduwe, ik ben weduwe – echt, vroeger ben ik heel oppassend geweest, en ik ben niet geboren om skelet te worden.
Hij was haast nog een kind… ik werd verleid door zijn raadselachtige charmes. Om hem te volgen heb ik mijn plicht als mens verzaakt. Wat een leven. Het ware leven is niet hier. Wij zijn niet op de wereld. Als ik in de spiegel kijk, zie ik een voor het geluk bestemde vrouw met wie ik graag vriendschap had gesloten; maar die echter verteerd is door een bruut zo fijngevoelig als de brandstapel… ik hoor hem nog de schande roemen, de wreedheid verheerlijken.. Maar ik hielp hem zelf aan wapens, zag al wat hem ter harte ging. Zijn liefde was behekst en ik was zijn gevangene. Je ziet – geloof ik – wel je eigen Engel, maar nooit die van een ander. Ik was in zijn ziel als in een paleis dat was ontruimd om zo`n onedel mens als mij niet te hoeven zien: meer niet.
Zo had ik telkens opnieuw reden tot droefheid, en kwam ik mezelf steeds onzinniger voor. Want meer en meer ging ik naar zijn mildheid snakken. Door zijn kussen en omhelzingen was ik inmiddels in een sombere hemel beland. Ik zag ons enkel nog als twee dolenden die vrij mochten dwalen door het Paradijs van Droefheid…

Wel twintig maal heeft hij mij trouw gezworen. Het stelde net zo weinig voor als mijn “ik begrijp je”.. Want ik ken zijn ideaal niet. Hij heeft mij verteld dat hij dingen betreurt, ergens op hoopt; daar mag ik mij niet mee bemoeien. Ik ben in het diepst van de afgrond en kan niet meer hopen. Als hij mij vertelde waarom hij neerslachtig is, zou ik daar dan meer van begrijpen dan van zijn spotternij? Urenlang bestookte hij me, schimpend op alles wat mij in de wereld lief is; en wanneer ik dan huilde, werd hij kwaad..
Wat een extase bracht hem deze vernietiging, wat een verjonging onderging hij door zijn wreedheid. Dit kon enkel het einde van de wereld zijn, al verder gaand..

Toen zei ik mezelf vaarwel; ik leed en wachtte – ik weet niet meer waarop. Geen ongerijmdheid van de waanzin is door mij vergeten; ik kan ze allemaal noemen, ik weet hoe het systeem werkt.
Dat heb je er nu van als je mist kweekt.. Wees waakzaam, mijn geest; laat je niet strikken door opgelegd heil. Blijf strijdbaar!

Daarom moet ik naar het einde van de wereld, naar Cimmerie, het land van de duisternis en wervelwind. Ik moet gaan reizen om de ban te verbreken waarin mijn brein gevangen zit. Want lijf en ziel heb ik verdaan door te ijveren voor een waan….

Advertenties

Over Rebekka Nirel Engels

Disillusioned words like bullets bark....Dat zijn woorden vol desillusie die blaffen als honden, als kogels. De klanken versterken de woorden. Wanneer blaffen de gedesillusioneerde woorden als blaffende kogels? Dat doen ze als menselijke goden hun doel najagen...( Bob Dylan begrijpt mij wel✌️)
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Het land van duisternis en wervelwind…..

  1. Zij die de hel doorkruisen en wier geest toch rijpt en nimmer sterft – zullen oneindig bestaan – er is geen dood, noch hemel, noch hel, zij zijn allen illusies van onze ziel die dit moet ervaren om te rijpen. Ook al ben ik niet klaar met mijn zoektocht net als velen van de club, pak mijn hand en die van je vele fans – je bent niet alleen – tezamen kunnen we met zijn allen de mist in de hel bevechten, depressies verdrijven en het licht in ons hart weer vinden en opnieuw geboren worden in de nieuwe wereld als een feniks

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s