“Hij meent het niet zo slecht”

Maar ik wist zeker dat het wel zo was. Zelfs wanneer hij helemaal stilzat, vertelde z`n lichaamstaal mij hoe hij zich voelde: nerveus, nors, nijdig, laaiend, woest ,furieus.
Wij hielden ons het grootste deel van de tijd gedeisd: voorzichtig, omzichtig, onzichtbaar, beheerst, beducht, benauwd.
Het was niet makkelijk om hem te ontwijken. Hij vulde het huis. Maar ik sloop behendig in cirkels om hem heen. Met z`n allen waren we behoorlijk alleen.
De woede van mijn vader. Heel onverwacht, iedere dag weer, maar ook midden in de nacht – dan kwam het naar buiten. Als ik daaraan dacht, liep mijn hoofd vol donkerzwart, zodat ik niets meer kon zien.
“Hij meent het niet zo slecht” – denkt ze dat ik achterlijk ben? Weet ze verdomme niet dat ik alles in dit huis gewoon kan horen? Of word ik stilletjes-aan echt onzichtbaar? Vergeten ze gewoon dat ik besta, als ik in elkaar gedoken op mijn kamer zit?
Soms – tijdens het eten, in de auto, of gewoon tussendoor, brulde hij plotseling iets, sprong op, en gaf haar een keiharde klap. Die klappen dreunden in mijn hoofd als een deur die keihard
wordt dichtgeslagen, waardoor het hele huis trilt. Zo dreunde het. Mijn buik werd hard als steen.

Of alle pannen met eten werden lukraak tegen de muur gesmeten; of de inhoud van alle kasten werd in een mum van tijd volledig over de vloer uitgestort en kapotgegooid, of hij dreigde ons, z`n kinderen , te vermoorden – snel wegrennen naar onze geheime sloot was dan het devies, en rustig afwachten, uren vaak, of het nu zomer of winter was.

Na zo`n uitbarsting liet hij zich weer in de kussens zakken en ging verder met lezen. Alsof er niets gebeurd was.
Het was nauwelijks te geloven, maar we zaten daar godsamme met z`n allen te doen alsof er niets gebeurd was, iedere dag weer.

Ik sloop dan naar boven, ging op bed liggen of kroop in elkaar gedoken in een donker hoekje van mijn kamer en fluisterde mijn eigen lied, het lied dat mij hielp om te leven. Of ik draaide me op mijn zij, hield mezelf goed vast en voerde een gesprek met een denkbeeldige vriend, iemand die alles van me wist, me beschermde, en die er ooit voor zou zorgen dat alles goed kwam.

Ik keek soms vanuit m`n ooghoeken naar m`n moeder, die een paarse vlek op haar wang had, of een tand miste, of armen vol blauwe plekken had. Ze probeerde volgens mij om niemand te zijn. Niet meer te bestaan. Niet meer te voelen.
Ze hield mij nooit vast; ze leek wel ziek – het was alsof ze weggleed, alsof ze verdween.

Nog voorzichtiger keek ik soms naar m`n vader. Hij keek niet naar ons, maar naar een punt ergens uit ieders gezichtsveld. De spieren in zijn armen trilden, hij was heel nerveus. Zou hij wroeging hebben? Ik voelde me in die tijd vaak veel te oud om nog zo jong te zijn.

Ik doe niets – ik kijk en blijf stil. Niemand ziet me, niemand ziet wat ik voel. Ik splijt in tweeen, maar ik beweeg niet. Blijf ik voor altijd een steen?

Soms als mijn vader weg was, hoorde ik haar huilen. Dan vergat ze dat ik er was. Haar stilte barstte en het geluid dat uit haar ontsnapte, klonk als gejank. Het was onverdraaglijk, het vulde het hele huis en ik kon niet weg. Een radeloos geluid – het sneed door me heen. Wat moet ik doen? Ik moet iets doen, maar ik weet niet wat of hoe. Ik wil smelten, als suiker in gloeiend hete melk.

Mijn hele jeugd verborg mijn vader zich in zijn stoel, achter de krant of in een van de vele kamers. Mijn moeder sprak geen woord meer. Ze deed wat ze moest doen, en bewoog zich als een stille, bleke schim door het huis. Ik zat vaak op mijn kamer en luisterde naar de zware stilte in ons huis en naar mijn hart dat altijd zo heftig en hoog bonsde in die stilte.
In het enige boek dat mij was toegestaan te lezen, de Bijbel, stonden honderden moeilijke woorden. Maar er was niet een bij dat precies kon zeggen hoe het binnenin me zat. Niet een woord dat geruststellend de wereld in mijn hoofd en hart omvatte, zodat ik wist wie ik was en wat ik moest doen.

Mijn moeder werd ziek, dat zag ik zo. Ze bleef maar afvallen en werd steeds bleker. En ik wist totaal niet hoe ik haar kon helpen. Ik wilde razen, tieren, schoppen en slaan om wat er gebeurde, en om wat ik maar niet kon verhinderen.

Woede raasde in mij, als een vuurbal. Als ik m`n vader zou slaan, werd ik net als hij. Toch was er niets liever wat ik wilde, dan hem slaan. Ik hou het niet langer uit, ik barst bijna – dacht ik zo vaak. En: misschien kunnen we na dit leven op een andere plek nog goedmaken wat hier fout ging….

Advertenties

Over Rebekka Nirel Engels

Disillusioned words like bullets bark....Dat zijn woorden vol desillusie die blaffen als honden, als kogels. De klanken versterken de woorden. Wanneer blaffen de gedesillusioneerde woorden als blaffende kogels? Dat doen ze als menselijke goden hun doel najagen...( Bob Dylan begrijpt mij wel✌️)
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s