De leerschool

 

Geleerdheid, zo had ze al wel vernomen , scheen omheind te zijn met veel vrijheidsbeperking en restricties ten aanzien van het bruisende lichaam. In elke geleerde hield zich een potentiele fanaticus schuil. Ze was zich gewaar dat verwerving van kennis een verschrikkelijke onrust met zich meebracht, en zo werd haar liefde voor boeken tegelijkertijd vergezeld van het duistere verlangen ermee af te rekenen.

In de ochtend was het rationele leven te scherp afgebakend om haar in staat te stellen haar schamele bestaan te verdragen: het was alsof denken in de schaars verlichte somberheid van de verwelkende dag haar gemakkelijker afging. Toch viel het haar op straat moeilijk de zonderlinge slavernij van haar dag, de tastbare stilte die haar in diep gepeins had doen verzinken, van zich af te schudden;

En ze achtte zich onvoorbereid en misschien zelfs niet berekend op de uitdaging van het werkelijke leven.

 

Ze was getroffen door de bescheiden opgewektheid van de mensen wier voornaamste inspanning eruit leek te bestaan de status quo te handhaven.

“Ik mag niet klagen” – alsof klagen betekende betrapt te zijn op een handelswijze waarbij makkers in de steek werden gelaten.

Wat bij alles wat ze ondernam in haar achterhoofd meespeelde, was hoe ze het haar moeder naar de zin kon maken, hoe ze haar goedkeuring kon wegdragen.

Maar hoe kon ze het haar naar de zin maken; die bangelijke, spartaanse vrouw die nooit het huis uit ging en van wie ze in eerste instantie die bangelijke kijk op het leven had geerfd?

Zo lang ze zich kon herinneren, was haar thuiskomst haar moeder`s hoogtepunt van de dag geweest . Haar droevige maar genadige glimlach als ze een ondoordachte opmerking plaatste, overlaadde haar met wroeging.

 

Waar zij zelf naar smachtte, was terugkeren naar haar vroegere zelf, voordat droefheid haar leven was binnengedrongen.

Wanneer ze door bleef gaan zoals nu, zou de eenzaamheid haar vermorzelen.

De wending die haar gedachten namen, stond haar niet aan.

De hele situatie stond haar niet aan.

Toch wist ze dat er beslissingen moesten worden genomen, en dat dit het moment was om ze te nemen. Dat doende zou ze volwassen worden, wijzer worden, iets waarin ze tot nu toe categorisch had gefaald.

Ze moest onmiddellijk stappen ondernemen, wilde ze niet de kracht verliezen nog ook maar een stap te verzetten.

In het diepst van haar ziel verlangde ze naar de herovering van wat ze haar transparante periode noemde; daarmee bedoelde ze een heel complex van gegevendheden – haar werk, haar geestdrift, haar gerichtheid op een enkel doel, en haar simpele en haast vergeten verlangen naar compleetheid.

 

 

Getroost worden, begreep ze, was het enige doel van haar reis, van haar bestaanop dit moment.

In tegenstelling tot vrouwen verenigden mannen zich niet zozeer om bij elkaar houvast te vinden, maar meer uit verbijstering over het gedrag van vrouwen

Op jacht naar een moeder wensten ze echter niets liever dan te ontsnappen aan de betrokkenheid die een dergelijke jacht vergde, en hadden ze de neiging om terug te vallen op gemakkelijker stereotypen.

Maar als de liefde van een vrouw niet oprecht was, wie kon dan de pijn van een man beschrijven die zich beschimpt, verstoten en uitgelachen weet?

En waarom maken vrouwen er zo`n ophef over om niet bemind en begrepen te worden?

Ze zagen toch zelf wel in dat het voor een man veel ernstiger was om in zo`n situatie te verkeren; want wie anders kon hen begrijpen dan een vrouw?

 

Van de mensen in haar omgeving had ze vaag het gevoel dat deze op een hoger plan leefden dan zij, en ze geloofde daarom van zichzelf dat ze het spoor bijster was.

Want was dit alles? Als het eind van het leven hetzelfde was als het begin, hoe moest ze dan de tussenliggende jaren doorkomen?

Toch had ze vrijwel alles wat een vrouw verondersteld werd te hebben, en ze had zich zeker voorgenomen een mens van goede wil te blijven en niet te verbitteren of te verzuren.

Desondanks was ze gedoemd tot een ontnuchterend bewustzijn ten aanzien van de meedogenloze onbestendigheid van het leven.

Bij tijd en wijle ervoer ze voor het eerst een merkwaardige kalmte, een stilte over zich komen; een afwezigheid van alles wat vleugels had.

 

Terwijl zij juist altijd degene was om verwarring te zaaien met haar vrijgevochtenheid.

Ze was ervan overtuigd dat dit een diepe afkeuring teweegbracht bij iedere fatsoenlijke man, ook al hadden ze wellicht van haar kunnen houden.

Ze moesten eens weten hoe tegengesteld die andere kant was die ze in zichzelf herbergde.

“ Lief klein meisje”, dacht ze geregeld, “wanneer zul je sterk genoeg zijn om het zonder mij te kunnen stellen? Wat kan jouw diepe angsten tot bedaren brengen?

Wanneer zul jij de lessen leren – de lessen van geheimhouding, huichelarij en dubbelhartigheid – waar ik nu al lucht van krijg?

Wanneer zal jouw eeuwige onschuld zwichten voor ondervinding?

Want ik begin te geloven dat jij – dat kleine angstige meisje diep in mijzelf – heel sterk bent, of beter nog: dat je over een wilskracht beschikt die ik nooit achter je had gezocht”.

 

Bij andere gelegenheden koesterde ze een afschuw over haar eigen braafheid en deugdzaamheid. Verheven daden werden niet altijd even deugdzaam verricht, net zoals

verheven liefdes niet schuldeloos werden genoten.

Het kwam haar voor dat ze sinds haar huwelijk zwak, passief was geworden; dat haar wezenlijke zelf was ontaard en haar eenvoud in gevaar gebracht.

Ze wist dat ze weliswaar de macht bezat om zichzelf in een meer heroïsche toekomst te tillen, in een leven dat een mens betaamt – maar dat er schade, verlating, verdriet en tenslotte verlies door zou ontstaan.

Ze wilde het juiste doen, wat het ook was; ze wist het alleen niet meer.

Deze gedachte deed haar speculeren over wat heroisch gedrag teweegbracht bij mensen die in de realiteit leefden en niet beschermd werden door de conventies van de literatuur.

 

De uitnodiging je hart te luchten lag volgens haar op de grens die vriendschap scheidde van samenzwering. Vrouwen overschreden die grens gewoontegetrouw, mannen nooit.

Dat was de ellende met vrouwen: per saldo waren ze zoveel stoutmoediger dan mannen.

Dit geredeneer was volkomen zinloos.

Ze was niet alleen lichtgeraakt, ze kon ook vernietigend scherp zijn.

Wellicht maakte dat haar voor sommige mannen zo begeerlijk. Ze zou altijd op zoek zijn naar een plek waar zij haar zaak aanhangig kon maken, maar haar onvermogen het te vinden zou haar wanhoop enkel vergroten.

Ze verlangde compensatie voor wat ze ergens intuïtief wel zag als de teleurstellingen die het leven haar had toebedeeld.

Haar verlangen ebde weg, en maakte plaats voor een merkwaardige bezorgdheid, alsof die geheel en al haar eigen verantwoordelijkheid was.

Alsof ze dacht dat er nergens plaats voor haar was.

In de liefde , zo wist ze, kon vernedering makkelijk overslaan naar haat.

Wanneer ze weer aan hem dacht, begon ze te beven en ervoer ze een innerlijke leegte, alsof het bouwwerk van haar fysiek letterlijk op z`n grondvesten wankelde.

Met de gedachte aan haar vroegere liefde kwam ook de onwelkome herinnering aan haar eigen gedrag. Ze voelde zich destijds zo tot niets gereduceerd dat ze niet de moed had om zichzelf onder de loep te nemen.

Op de een of andere manier hield ze nog steeds van hem die haar had verstoten, of die zij had verstoten – en zo was alle hoop vervlogen.

 

Destijds, toen ze nog gehuwd waren, had de vervreemding zich al afgespeeld, net als de groeiende wrevel van hem over haar aanwezigheid, het leven in haar.

Toen ze er later over nadacht, vroeg zij zich af of die wrevel er misschien niet altijd al geweest was – maar dan als toegeeflijkheid waarvoor zij altijd dankbaar was geweest, en haar een gevoel van nederigheid had bezorgd.

Niets minder dan absolute onkreukbaarheid, zo dacht ze, kon hem bevredigen, net als bij haar moeder.

En dus had ze geprobeerd onkreukbaar te zijn. Ze kon evenwel niet langer het feit negeren dat ze in zijn ogen verdoemd was, om het even wat ze had gedaan.

Verder zag ze geen manier om het ongedaan te maken. Haar onvermogen om zich destijds te verdedigen was evenredig an zijn weigering haar te geloven.

Hij was er een expert in geworden op een manier uit de kamer te verdwijnen die zijn onschuld en haar schuld onderstreepte.

 

Ze had van hem gehouden: op een bezeerde, beschadigde manier, maar vol overgave – en dus half en half bevreesd de schade zelf veroorzaakt te hebben.

Ze had van hem gehouden met al de donkere herinneringen aan de eenzaamheid van de kinderjaren; het soort enzaamheid dat nooit helemaal vervaagt.

Zou het erin zitten dat ze ooit – al was het aan de late kant – een gooi deden naar een achtenswaardige omgang met elkaar?

En mocht ze er niet op hopen dat haar deze ten deel zou vallen, zoals soms na een leven van roemloze vrijheid gebeurt?

Zij was het destijds geweest, die in zijn denken een nieuw perspectief had geopend.

Ze was schaamteloos, maar ook spontaan en warm.

Ze handelde uit instinct, het Id trad buiten zijn oevers, met alle rampzalige gevolgen van dien.

Het zou beter zijn geweest als zij ontrouw had gepleegd – wat voor roost kon er schuilgaan in ontoereikendheid?

 

`s Nachts sliep ze nog altijd de zwarte slaap van smart of van rouw ; en wanneer ze wakker werd, vroeg ze zich af of een nieuwe minnares altijd werd uitgekozen om de huidige geliefde een lesje te leren, en of tussen deze twee ooit een rustpauze werd genomen.

Wie verlangt niet naar de terugkeer van de verloren zoon? Op dat moment had ze het gevoel gehad dat er niets ergers bestond dan in de steek te zijn gelaten, en deze verwaarlozing te ervaren die zich bovendien vertaalde in fysiek verval.

Ze verwachtte niet langer dat iemand van haar kon houden, hoewel het haar niet cynisch had gemaakt.

Ze vond dat iedereen het waard was om bemind te worden, zelfs de wildvreemde mensen die ze op straat tegenkwam.

Het hoogste goed, meende ze, was te beminnen en bemind te worden.

Maar op de een of andere manier – onbewust – had ze zichzelf wat de liefde betrof buiten spel gezet. Ze wist dat ze weg moest. In de lucht die ze inademde, in het gat waar ze woonde, ontbrak het aan hoop.

Zijzelf – met haar hectische dagen – onderkende de futiliteit van alles.

Je wordt door het leven ingehaald, overrompeld.

In wezen is het leven helemaal geen aaneenschakeling van opwindende nieuwe avonturen, de tendens helt meestal over naar onafgemaakte dingen en onvervulde dromen.

Je sleept van alles en nog wat met je mee; dingen waar je je niet van kunt ontdoen.

Ze kon en zou de veiligheid van haar gewone leven de rug toekeren en het risico durven lopen van desillusie, verdriet en uiteraard eenzaamheid.

Toch was ze nog niet helemaal klaar met haar werk hier

Plezier hebben in een goede zaak geeft een verheffend gevoel dat met geen ander soortgelijk gevoel te beschrijven is.

 

Het laatste halfjaar echter had haar een vreemdsoortig gevoel bevangen die op geen enkele wijze verstoorde wat zij aanzag voor haar onschuld.

Ondanks haar hoopvolle en zelfs vrome ambities, leek haar geest verlamd.

Ze bleef alles en iedereen even welgezind; het enige was dat ze de wereld niet meer kende. Als ze de wereld wel gekend had, zou zij haar nog vertrouwd hebben.

Maar het leek alsof haar de toegang ertoe was geweigerd: de wereld was haar ontgroeid.

Haar veelbelovende toekomst, waarin ze ooit zo vurig had geloofd, was uit het zicht verdwenen en had iets van haarzelf meegenomen.

Was geluk een kwestie van lotsbeschikking, en niet van verdienste?

Ze snakte zo naar een gebaar van solidariteit – desnoods door haarzelf.

 

Ze wist dat ze heen en weer geslingerd zou worden door het verlangen dat alles bij het oude zou blijven, en de wetenschap dat niets ooit bij het oude bleef.

Dat dit verscheurende dilemma haar leven was binnengedrongen, vervulde haar soms met ontzetting. Haar verstand zei haar dat ze deze gelegenheid moest aangrijpen om opnieuw te beginnen. Maar wat ze in overrompelende mate ervoer, was diepe droefheid, omdat ze alles wat voor haar veiligheid betekende, achter zich zou moeten laten.

Ze werd nu volmaakt kalm: dit was bij uitstek de gelegenheid om haar veerkracht, haar waarde als mens te tonen. Om zich als een heldin te gedragen desnoods en haar schatten aan te spreken. En – rustig nu – sliep ze weer in.

 

 

·                                  

Advertenties

Over Rebekka Eliza Dorothea Nirel Engels

Disillusioned words like bullets bark....Dat zijn woorden vol desillusie die blaffen als honden, als kogels. De klanken versterken de woorden. Wanneer blaffen de gedesillusioneerde woorden als blaffende kogels? Dat doen ze als menselijke goden hun doel najagen...( Bob Dylan begrijpt mij wel✌️)
Dit bericht werd geplaatst in ETHIEK!. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s