over wat ik verloren ben onderweg

Ik was een eenzame tunnel; uit mij vluchtten de vogels, in mij drong de nacht met zijn machtige invasie. Om mijzelf te overleven smeedde ik jou tot een wapen, maakte je een pijl op mijn boog, een steen in mijn slinger. 

Ik bekijk mijn woorden als iets vers; meer dan van mij zijn ze van jou – ze vluchten uit mijn donkere schuilplaats. Alles vul jij, je vult alles.

Voor jou bevolkten ze de eenzaamheid die jij bezet, en meer dan jij zijn ze mijn droefenis gewend. Nu wil ik dat ze zeggen wat ik wil zeggen, in de hoop door jou gehoord te worden zoals ik wil dat jij me hoort.

 

Voor mijn hart is jouw borst voldoende, voor jouw vrijheid voldoen mijn vleugels.

In jou is de illusie van elke dag; eeuwig voortvluchtig als een golf

Soms sta ik vroeg op, en zelfs mijn ziel is vochtig.

Soms varen mijn zoenen op die ernstige schepen, die hollen over zee naar waar ze niet aankomen.

Ik bemin wat ik niet heb, jij bent zo ver.

Mijn weerzin worstelt met de trage schemeringen.

Maar de nacht komt en begint voor mij te zingen.

De liefde is zo kort, het vergeten zo lang.

 

Ik was met reisgezellen: slechts in hun koor herkende mijn stem de verlatenheden waruit ik geboren was. Hij is al niet meer van mij, de schim die ik naliep.

Graaf naast mij een graf voor hem die ik liefheb; dat hij mij ooit weer vergezelt in de aarde.

Maar ik zal leven – want jij hebt bovenal gewild dat ik ontembaar was.

En liefste, ik zal leven, omdat jij weet dat ik niet slechts een mens uit velen, maar dat ik alle mensen ben.

 

Mijn hart weegt zwaar van zoveel dingen die ik niet ken; het is net of ik veel te grote stenen draag in een zak, of dat de regen neervalt zonder rust, in mijn geheugen.

Ik weet niet wat er gebeurt is, en ook de anderen wisten het niet, en zo ben ik gegaan van nevel naar nevel.

De heldere tijd, dat is de liefde – de verloren tijd, dat zijn de snikken.

Dus over wat ik mij herinner en over wat ik mij niet herinner, over wat ik weet en wat ik wist,

Over wat ik verloren ben onderweg tussen zoveel verloren dingen;

doden die me niet hebben gehoord, en die me misschien wilden zien,

het is beter dat je me daar niets over vraagt.

Voel maar op m`n borst, en je zult merken hoe er een zak vol donkere stenen klopt..

 

Een ding wil ik, want daar wortel ik in. Eindeloze liefde.

En je ogen, mijn beminde; ik wil niet slapen zonder je ogen, en niet leven zonder dat jij me aankijkt. Daar geef ik de lente voor, dat jij me aan blijft zien.

Ik heb zoveel geleefd, dat jullie me toch eenmaal bewust moeten vergeten en vlakken van de klei – want mijn hart was onstuitbaar.

Maar nu ik stilte vraag, denk niet dat ik ga sterven; het is juist andersom, want ik blijk te gaan leven. Het punt is dat ik zoveel geleefd heb dat ik nu nog eens zoveel wil leven.

 

Hoe is het mogelijk zo ver te leven van wat ik bemind heb en bemin?

Ik heb de regen en de wind verloren, en wat heb ik gewonnen, ik vraag het me af?

Ik heb de groene schaduw verloren, en nu verstik ik en sterf ik:

Mijn ziel is onvoldaan, en onder mijn schoenen zoek ik versleten, vergeten dingen.

Misschien deint deze droeve aarde als een schip verder in mij.

Maar ik leef in een andere wereld – de regen kent me niet meer…

 

Rest alleen jouw blik tegen zoveel leegte, alleen jouw helderheid tegen het niet-zijn, alleen jouw liefde sluit de duisternis buiten.

En ik, nietig wezen, van de grote sterrende leegte dronken,

Ik naar gelijkenis en beeld van het mysterie, voel mij zuiver deel van de afgrond.

En ik wentel mee met de sterren, en mijn hart slaat op drift in de wind.

 

Ik wil voelen en zien, ik wil opnieuw bouwen, ik wil met mijn arme bloedende handen

het lot uitgraven.

De vermoeide, de wees in menigten – ik, de verguisde, de ontheemde in overvolle restaurants, deze mens die altijd verder wilde.

Wist zich geen raad en wilde en wilde niet blijven of teruggaan, de twijfelaar, de hybride,

de in zichzelf verwarde kon hier niet aarden.

De rechtheid van steen, de oneindige blik en de ronde verlatenheid dreven me weg

 

Later, op een dag, zal iemand vragen waarom ik zijn vriendschap of liefde versmaadde.

Zijn gelijk of koortsdroom of werken verzweeg.

Hij heeft gelijk: het was mijn plicht je te noemen, jou, ver van mij of dichterbij.

Ach, waarom je de waarheid vertellen als ik ermee leefde;

als ik ten allen tijde allen ben en me altijd noem bij jouw naam..

 

Van een man die ik nauwelijks kende hou ik de naam veilig dicht; ik heb helaas geen tijd voor mijn werkelijkheden. Ze roepen me als ik me eenzaam voel; dan moet ik opendoen, luisteren naar wat geen stem heeft, kijken naar wat niet bestaat.

Vraag me niet of ik veranderd ben; enkel de tijd wordt ouder…

 

Advertenties

Over Rebekka Eliza Dorothea Nirel Engels

Disillusioned words like bullets bark....Dat zijn woorden vol desillusie die blaffen als honden, als kogels. De klanken versterken de woorden. Wanneer blaffen de gedesillusioneerde woorden als blaffende kogels? Dat doen ze als menselijke goden hun doel najagen...( Bob Dylan begrijpt mij wel✌️)
Dit bericht werd geplaatst in matters of the heart. Bookmark de permalink .

Een reactie op over wat ik verloren ben onderweg

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s