Beveiligd: Hocus pocus pilatus poei

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Om deze te kunnen bekijken, vul het wachtwoord hieronder in:

Geplaatst in Geen categorie

Schaamte, verraad en kwetsbaarheid 2

5FE5EC2D-1509-42A8-B83E-9F852BD657D8Als je besluit om de arena van het leven – en dus van kwetsbaarheid – te betreden, dan kun je klappen verwachten. Dat ervaart iedereen die de moed heeft om zich kwetsbaar op te stellen. Je kunt ervan op aan dat je op enig moment cynisme en kritiek over je heen krijgt, en misschien zelfs ronduit hatelijke opmerkingen. Waarom? Omdat cynisme, kritiek, hatelijkheid en onverschilligheid nog beter werken dan een schild: ze kunnen worden ingezet als wapens, die niet alleen kwetsbaarheid op afstand houden, maar ook mensen als m’n dochtertje en ik – die zich kwetsbaar durven opstellen en anderen daarmee een ongemakkelijk gevoel bezorgen – kunnen verwonden.

Voor mensen die “ niets met kwetsbaarheid hebben”  is er níets wat bedreigender aanvoelt en hen meer geneigd maakt anderen aan te vallen en een gevoel van schaamte te bezorgen dan te zien dat deze “ kwetsbaren”  grote moed tonen. De moed van een ander is een spiegel die dit soort “ onkwetsbaren”  zeer ongemakkelijke gevoelens bezorgt, doordat ze hun angst om betrokkenheid te tonen, creatief en bloot te zijn en zichzelf te laten zien, erin weerkaatst zien. Daarom kiezen ze de aanval. Achter hatelijkheid zit meestal ( angst voor) kwetsbaarheid.

Als ik het in deze context over kritiek heb, heb ik het over afkraken, persoonlijke aanvallen en ongefundeerde opmerkingen over onze motieven en bedoelingen. En met cynisme bedoel ik een houding waaruit mensen reageren met opmerkingen als:”wat stom” of “ wat een waardeloos idee”. Onverschilligheid is één vd meest voorkomende vormen van cynisme. In sommige kringen is het bijna alsof je niet goed snik bent als je enthousiasme of betrokkenheid toont. Als je te uitgelaten of geïnteresseerd bent, ben je een loser. Nou, als je daar instinkt, in die val van cynici, dan wordt je bang dat anderen vinden dat je te luid lacht, te naïef of betrokken bent, té graag wilt ( ik word godzijdank van al die zaken beticht😇). In dat geval ga je jezelf beschermen met onverschilligheid en gebruik je je titel, achtergrond, opleiding, geld en positie als handgreep voor je schild van hatelijkheid, kritiek en onverschilligheid. “ ík mag jou onfatsoenlijk behandelen of afkraken vanwege wie ik ben of het werk dat ik doe”.

Ik heb allerlei kunstenaars, vernieuwers, schrijvers en maatschappelijke leiders gevraagd hoe zij erin slagen open te blijven staan voor constructieve kritiek, en hatelijke aanvallen eruit te filteren. Ik deed dat omdat ik daar zelf enorm veel moeite mee heb en dolgraag wil leren om moedig te blijven.

Als het ons namelijk niets meer kan schelen wat anderen van ons vinden, verliezen we ons vermogen tot verbondenheid; we stompen af, verharden, we zijn net machines. Maar als we ons – zoals ik – te véél aantrekken van wat anderen ons naar het hoofd slingeren, verliezen we onze bereidheid om ons kwetsbaar op te stellen en blijven veilig in onze schulp.

Het is dus koorddansen, waarbij schaamtebestendigheid de stok is die ons in evenwicht houdt, en het vangnet bestaat uit de paar mensen die ons helpen de kritiek en het cynisme in het juiste perspectief te zien. Ik ben er van overtuigd dat het de moed, energie en het risico waard is om open te blijven en tegelijk mn grenzen ( beter) te bewaken.

Ik heb een paar levensmotto’s verworven: 1. IK BEN GOED ZOALS IK BEN

2. HATELIJKE OPMERKINGEN ZIJN GEMAKKELIJK, GOEDKOOP en LAF.

3( tevens mijn grafschrift:) MIJN LIEFDE IS STERKER DAN DAT.

Mijn geinterviewden vertelden dingen waar ik veel van kon leren. Veel van hen vertelden me dat ze ouders hadden die zich onkwetsbaar gedroegen, en pas merkten dat ze dat gedrag heel sterk hadden overgenomen, toen ze zich bewust werden van hun angst voor kwetsbaarheid. Met die bewustwording konden ze nieuw, meer betrokken gedrag oefenen. Ze gaven toe dat ze zich soms van de farce van onkwetsbaarheid bedienden om zichzelf minder onzeker te voelen.

Ken je de zin “ het is niet de criticus die telt”? Komt van Roosevelt. Door de mensen die ik interviewde en die zichzelf beschouwden als de criticus, werd het “ niet tellen”  namelijk heel sterk gevoeld. Ze voelden zich vaak afgewezen en onzichtbaar in hun eigen leven. Kritiek uiten was voor hen een manier om gehoord, gezien te worden.

Naast koorddansen, het aanleren van schaamtebestendigheid en het terugvallen op mijn vangnet wanneer ik me aangevallen of gekwetst voel, heb ik er nog 2 supergoeie gevonden. Ten eerste besteed ik alleen aandacht aan kritiek van mensen die net als ik zelf óók in de arena vd kwetsbaarheid staan. Als jij namelijk wel je kritiek botviert maar daarentegen niet oprecht zelf iets bijdraagt of openlijk met je eigen kwelduivels worstelt, dan vind ik je een aanfluiting en ben ik totaal niet in je kritiek geinteresseerd💪.

En ten tweede draag ik altijd een lijstje met de namen vd spaarzame mensen bij me van wie ik het belangrijk vind hoe ze over mij denken. Deze mensen houden van mij met al mijn zwakke en sterke kanten. Ze vinden het prima dat ik keihard lach, dat ik het steevast aan de stok heb met de medische wereld, en gedogen zelfs mijn eeuwige zelftwijfel en gekke dansjes. Volgens mij heeft niemand meer dan een paar mensen op dat lijstje staan, en dat is prima.  Kortom: sloof je vooral niet langer uit om de haters voor je te winnen, je bent geen ezelshoeder.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Schaamte, verraad en kwetsbaarheid 1

06274D5D-AD12-483B-AF14-F3633BF4008AIk doe onderzoek. Dagelijks. Ik kan je lijsten geven van wat m’n cliënten, ikzelf en geïnterviewden antwoordden wanneer ik vroeg hoe het voor hen voelt om kwetsbaar te zijn. Het meest genoemde woord is “ bloot”. Maar de herkomst van het woord kwetsbaarheid zelf is ook erg interessant. Vulnerability is afgeleid van het Latijnse woord Vulnerare, dat “ verwonden” betekent. En “ gewond kunnende worden”. En “ blootgesteld aan aanvallen of beschadiging”. Zwakte echter, Weakness, betekent daarentegen “ niet bestand zijn tegen aanvallen of beschadiging”. Bijna het tegenovergestelde! Je zou zelfs kunnen zeggen dat zwakte vaak voortkomt uit een gebrék aan kwetsbaarheid. Want wanneer we onze kwetsbare plekken niet erkennen, lopen we een groter risico op pijnlijke ervaringen. Mensen die denken niet gevoelig of kwetsbaar te zijn, blijken juist het meest kwetsbaar te zijn. De illusie van onkwetsbaarheid is dus een allesbehalve effectief schild; het ondermijnt juist de reactie die wérkelijk bescherming zou hebben geboden.

Mijn schrijfsels hier, mijn opstelling naar mijn meest dierbaren , mijn manier van in het leven staan zonder te weten of het wel wordt geaccepteerd of gewaardeerd, dat is kwetsbaarheid. Ik definieer het als onzekerheden trotseren, risico’s nemen en me emotioneel blootgeven. Iets nieuws proberen, vergeving durven vragen, toegeven dat ik bang ben, ergens in durven geloven, een onpopulaire mening uiten.

Klinkt je dit als zwakte in de oren? Klinkt het zwak om iemand bij te staan die het heel erg moeilijk heeft? Vind je het zwak om verantwoordelijkheid te nemen voor je daden? Is het een teken van zwakte als je tóch je plek in het doel weer inneemt, nadat je een paar ballen hebt doorgelaten? NEE.

Kwetsbaarheid klinkt als de waarheid en voelt aan als moed. Het is niet altijd makkelijk, maar is geen teken van zwakte. Kwetsbaarheid betekent weliswaar dat we ons helemaal moeten blootgeven; en de onzekerheid die we daarbij voelen is inderdaad een kwelling. En ja, ik neem grote emotionele risico’s door mijn besluit me kwetsbaar op te stellen. Het is als m’n masker afnemen en dan maar hopen dat m’n echte ik niet teleurstelt. Het voelt als m’n nek uitsteken, héél ver uitsteken. Voor mij is het soms ongelófelijk beangstigend en tegelijk pijnlijk noodzakelijk.

Als we aan verraad denken, denken we meestal aan een gebeurtenis waarbij iemand die we vertrouwen iets doet wat zo vreselijk is dat we de neiging hebben de boel in één keer leeg te kieperen. Dat diegene met mijn partner naar bed gaat, of tegen me liegt over het stelen van mijn geld of spullen. Dat iemand mijn kwetsbaarheid tegen me gebruikt – een daad van emotioneel verraad.

Maar er is een vorm van verraad die nog geniepiger is en ons vertrouwen minstens zo sterk ondermijnt. Ik heb het over verraad in de vorm van gebrek aan betrokkenheid. Deze vorm vindt vaak al lang voor de andere vormen plaats. Gebrek aan betrokkenheid. Gebrek aan aandacht. Van de verbinding loslaten. Van niet bereid zijn tijd en energie in de relatie te steken. Het woord “ verraad”  roept beelden op van liegen en bedriegen, vertrouwen beschamen, niet voor ons opkomen als iemand ons bespot of belastert. Dit zijn echter niet de enige vormen van verraad. Als ik de vorm van verraad moet kiezen die het meest schadelijk is voor de vertrouwensband, dan zou ik gebrek aan betrokkenheid noemen.

Wanneer de mensen van wie we houden of met wie we een diepgaande band hebben geen betrokkenheid meer tonen, geen aandacht meer voor ons hebben, niet meer in de relatie investeren, stroomt het vertrouwen weg en sijpelt de pijn binnen. Gebrek aan betrokkenheid leidt tot schaamte en raakt aan onze grootste angst: de angst om verlaten te worden, en geen liefde of verbondenheid waard te zijn. Wat dit geniepige verraad veel gevaarlijker maakt dan leugens of overspel, is dat we de bron van onze pijn niet kunnen aanwijzen. Er is niets concreets gebeurd en er is geen duidelijk bewijs van het verbreken van de band. Dat is om gek van te worden.

Voor kinderen ( en voor mij, vanbinnen altijd een kind gebleven) zeggen daden veel meer dan woorden. Als we geen betrokkenheid (meer)  tonen door hun te vragen ons te vertellen over hun dag, hun lievelingsliedje of hoe het met hen gaat, dan voelt dat voor kinderen pijnlijk en beangstigend. Net als vertrouwen ontstaat een gevoel van verraad geleidelijk. De openlijke of “ grote”  vormen van verraad vinden meestal pas plaats na een periode van verminderde betrokkenheid en langzaam afgebrokkeld vertrouwen.

Vertrouwen is een vrucht van kwetsbaarheid die met de tijd groeit en werk, aandacht en volledige betrokkenheid vraagt. Vertrouwen is geen groots gebaar, maar een groeiende knikkerverzameling.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Tijgeritus volgens m’n dochter

Ik weet het zeker: als er iemand op de wereld onkwetsbaar is, dan is het mijn mama Rebekka.
Als er iemand de wereld stuurt, dan is zij het.
Loopt er ergens op de wereld iets mis, mama komt er al aan om het te regelen.
Toen twee grote jongens een keer  het voetbalveld op kwamen fietsen om een  jongen zijn bal af te pakken, sprong mama er als een wilde tijger tussen en liet haar ogen fonkelen.Terwijl ze net daarvoor nog helemaal aan de andere kant van het veld was met mij en mijn vriendjes.
En als om te bewijzen dat mama alles op de hele wereld regelt, deden die dolle grote jongens meteen precies wat zij zei.
Ze lieten de bal los, zeiden sorry tegen haar en de jongen, en fietsten allebei een andere kant op, voorovergebogen, alsof ze zich schaamden.
Mama keek naar mij op: met haar linkerhand hield ze de zon uit haar gezicht, met de rechter stak ze haar duim naar me omhoog.
Mama is vet populair bij mijn vrienden.
Mijn mama heeft ook een paar haren onder haar neus, en ik denk dat zij ze allemaal apart kan bewegen.
Volgens mij zijn het tastharen. Zoals bij een kat of een muis.
Tastharen – dat zou verklaren waarom mama zo apart is; want als je de hele tijd meer en andere dingen voelt, tasthaardingen dus, dan kun je natuurlijk niet net zo zijn als andere mensen.
Mama moet drie maanden naar het ziekenhuis omdat haar rug al heel lang kapot is en nooit meer beter wordt.
En mijn opa en oma  gaan dit jaar dood en in een kistje.
En dat is allemaal de schuld van de man, waarvan ik de naam niet meer noem.
Ik heb hem al veel brieven geschreven om hem te zeggen dat hij van z`n luie kont af moet komen en moet ophouden zo achterlijk te doen.
Maar ik heb nog nooit antwoord van hem gekregen. De lafaard.
Ik gil en wacht tot de man iets doet, het is zijn taak om iets te doen, en dan doe ik gewoon niet mee met wat hij doet.
Gewoon om hem te laten zien dat ik niet meer aan zijn kant sta na wat hij heeft geflikt.
En dan moet de man het eindelijk maar eens begrijpen, hij moet in huilen uitbarsten, zijn hart moet verschrompelen als een madeliefje in de magnetron, hij moet mij zien en in mij alles zien wat hij kapot heeft gemaakt.
En hij moet op zijn knieen vallen en om vergeving smeken en alles weer goedmaken.
En hij moet niet lachen en alleen maar met zichzelf bezig zijn en met al die stomme dingen die hij zo belangrijk vindt.
En hij moet mij niet in zijn armen nemen; maar dat doet hij in mijn gedachten wel.
Toch hou ik mooi niet op met gillen.
Mama zei laatst bulderend van het lachen: “Savoir Vivre!”. Ik vroeg haar wat dat is.
Mama zei dat het Frans is, en een soort levensfilosofie. Een motto, een houding. “Zoiets als de strijdkreet van de snappers!”
“De snappers?” vroeg ik.
“Ja”, zei mama, “degenen die het gesnapt hebben”.
“Wat gesnapt hebben?” wilde ik weten.
“Het leven natuurlijk!” proestte mama het uit. “Als je een gelukkig mens wilt zijn, moet je wel weten hoe je het leven moet opvatten. En deze twee woordjes zijn een oproep, een bevel zelfs!
Om altijd het leven te onderzoeken, alles uit te proberen. Je moet erachter zien te komen wat je wilt en waarom, en dan moet je recht op je doel af gaan, met alle mankementen die je hebt.
En het belangrijkste is dat je onderweg zo veel mogelijk plezier hebt, dat je geniet en het kleine begrijpt, het simpele ziet, het petieterige liefhebt, niet alleen het allersupermegamooiste wilt, maar al blij bent met heel weinig en je verheugt op wat komen gaat
En dat je, als er eens een keer iets stoms gebeurt, het niet persoonlijk opvat, maar je schouders ophaalt en erom lacht”.
En ze lachte weer. Mama lacht altijd keihard.
Mijn mama is de warmste vrouw van de wereld. Er hangt een gloed om haar heen die ik uit duizenden zou herkennen, heerlijk warm en ook met een heel eigen geur.
Ik lig naast haar op bed, ze aait me over mijn hoofd.
Ze vraagt me wat er aan de hand is, maar ik kan nog niet praten.
Ik kan alleen maar trillend van woede op bed liggen.
Mama`s rug wordt nooit meer beter en opa en oma gaan dood.
“Hij heeft alles kapotgemaakt mama”, fluister ik, “hij had toch al alles kapotgemaakt en nu heeft hij alles nog kapotter gemaakt”.
Mama kijkt me lang aan; ze legt mijn hoofd op haar borst en slaat haar armen eromheen. Ik hoor haar hart kloppen.
“Wees niet zo hard voor hem” zegt mama, en ik kan mijn oren niet geloven. Ik zeg:
“Als ik niet hard voor hem ben, is niemand hard voor hem. Jij blijft altijd maar zo aardig voor hem, maar hij is een stommerik die alles kapotmaakt, een man zonder naam, hij heeft zijn kans gehad maar die heeft hij verknald!”.
En daar begint het weer. Het tintelt in mijn voeten, trekt in mijn teennagels, raast in mijn knieen, kriebelt in mijn keel, jeukt aan mijn tong en dondert en bliksemt achter mijn ogen.
Ik groei uit mijn kleren, mijn woede maakt koprollen in mijn borst, en op mijn rug knokken duizend wilde wolven.
Ik wil grauwen en knauwen, ik wil happen en trappen en de regels aan mijn laars lappen,
ik wil krabben, rennen, springen, stampen.
Ik wil huilen, schelden, schreeuwen, tieren, ik wil iets kapotmaken, erop springen, spugen, het vermorzelen en vermalen, inslikken en verteren, uitbraken en begraven.
Mama neemt me mee naar het Reuzenbos.
Ik ren het bos in, en die beeft onder mijn klauwen; ik maai met mijn armen en benen, stamp zo hard ik kan, schop tegen deuren – en dan stilte.
Als ik de tijgeritus krijg, zwellen mijn spierballen op, en zijn mijn aderen net tuinslangen, waar het bloed door pompt zoals bij de Oekraiense gewichtheffers die driehonderd kilo optillen. Er komen bergen spieren op, ook in mijn schouders en benen: ik krijg tijgerkracht.
Ik ruk bomen uit de grond ( of in elk geval graspollen, echt van die grote!), ik graaf en graaf, mijn woede groeit mij huizenhoog boven het hoofd, zwelt aan tot een reuzengolf, een tijgerbeving, een tijgernami, een tijgerkaan, een tijgerramp.
Dat meisje, zeggen de mensen, is een natuurkracht zoals ze daar door het bos rent te razen en te tieren. Tranen stromen, muren wankelen, vogels vluchten, donderwolken pakken zich samen.
Het moet eruit, alles moet eruit, de hele woeste woede.
Ik weet dat mama de man wil beschermen.
Zo is mama, ze wil altijd iedereen om zich heen beschermen, alles voor iedereen doen,
en ze zoekt altijd de fout bij zichzelf, zo is ze.
Mama, die altijd alles van iedereen begrijpt omdat ze zich in anderen kan verplaatsen, die altijd snapt waarom anderen doen wat ze doen.
Daarom is ze ook psycholoog.
Ze wordt nooit boos op mij, ook niet als ik de tijgeritus krijg, omdat ze weet dat ik er niets aan kan doen.
Dan heeft ze gewoon een recept om het probleem op te lossen.
Alleen heeft ze deze keer denk ik geen goed recept, ook al doet ze van wel.
Ik ben toch niet achterlijk!
Normaal is mama`s vrolijkheid als roomboter, maar nu is haar vrolijkheid margarine: flauw en zonder smaak.
En zelfs nu nog begrijpt ze de man.
Maar genoeg is genoeg. Je kunt nou eenmaal niet altijd alles accepteren, soms moet je in actie komen; er komt een moment dat je het leven moet oprollen, in de puntenslijper moet steken en zeggen: DIT PIK IK NIET, wereldje!
“Het leven gaat door, liefje” , zegt mama glimlachend. Maar dat is niet waar: het leven gaat niet zomaar door, niet voor iedereen.
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Dostojewski over Wanhoop, Berouw, en Sofisterij – deel 4

Zij die het leven en de liefde vervloeken hebben zichzelf vervloekt. Zij voeden zich met hun kwaadaardige trots als een dorstige die in de woestijn zijn eigen bloed uit zijn lichaam zuigt. Maar ze zijn in alle eeuwigheid onverzadigbaar, verwerpen iedere vergiffenis en vervloeken de liefde die hen tot zich roept. Daarbij is het onmogelijk hen te bevrijden van die geestelijke kwelling, want die is niet uiterlijk, maar innerlijk. Zoals Othello die eenvoudigweg alle houvast had verloren en niet meer wist wat te geloven omdat zijn ideaal niet langer bestond.

 

Maar een mens die het leven eert, spreekt aldus: “Heren, wij zijn allen wreed, wij zijn monsters, wij zijn er allemaal de oorzaak van dat de moeders en hun kleine kinderen huilen. Ik heb me elke dag opnieuw rouwmoedig op de borst geklopt en me dan voorgenomen om mezelf te beteren, maar elke dag opnieuw haalde ik weer dezelfde vuile streken uit. Ik neem de ellende van de beschuldiging en de openbare schande op me, wil lijden en me door lijden zuiveren!”. Zo iemand is niet als de rest. Hij heeft immers de moed te bekennen dat hij slecht en zelfs belachelijk is. Wie doet zoiets tegenwoordig nog! Niemand heeft er meer de behoefte aan om zich zelf te veroordelen. Probeer dus om niet als de rest te zijn: al zou je ook de enige zijn die anders is, probeer het toch!

Dit zijn mensen met een diep gevoel, maar die door het leven geslagen zijn. Hun ironie is enkel tragisch, en gericht tegen de mensen voor wie ze al te lang gebeefd en gesidderd hebben.

De mensen die zelf veel ellende hebben doorgemaakt zijn de beste rechters.

 

De liefde tot een vader die zich niet als zodanig gedraagt, is onmogelijk, is onbestaanbaar.

“Vaders, verbittert uw kinderen niet! Laten wij zelf eerst dit gebod vervullen en daarna pas kunnen wij hetzelfde van onze kinderen vragen. Anders zijn wij geen vaders, maar vijanden van onze kinderen; en onze kinderen worden onze vijanden door onze eigen schuld. Met de maat waarmee gij meet zal ook u worden toegemeten.

Iemand die een kind verwekt is nog geen vader, een vader is degene die een kind verwekt en zich vervolgens onophoudelijk die naam waardig toont.

De aanblik van een “vader” die die naam niet verdient, roept onwillekeurig bij een kind kwellende vragen op; vooral als zo`n vader vergeleken wordt met de vaders van andere kinderen, van kameraadjes, vaders die die naam wel waardig zijn.

Zo`n kind gaat onwillekeurig nadenken: “hield hij dan van mij toen hij mij verwekte?”vraagt het zich steeds meer verwonderd af.

En: “waarom moet ik van hem houden alleen maar omdat hij mij verwekt heeft, ofschoon hij verder mijn leven lang niet naar me heeft omgekeken?”

 

Als een “vader” dus daartoe niet in staat is, dan heeft zijn vaderschap afgedaan: de vader verdient die naam niet en het kind krijgt de vrijheid en het recht om diens verwekker voortaan als een vreemde en zelfs als zijn vijand te beschouwen.

 

Wanneer iemand echter oprecht berouw heeft en zijn rekening wil vereffenen, wees dan niet wreed.

Want met wreedheid richt u de betere mens die hij nog kan worden te gronde, en zo zal hij zijn leven lang slecht blijven en blind worden voor het goede. Wilt u hem een geduchte straf geven alleen echter om hem daardoor te redden en hem voor altijd tot een nieuw leven te brengen?

Dan moet u hem verpletteren met barmhartigheid! U zult zien en bemerken hoe hij zal beven en zal uitroepen: “moet ik die gunst aanvaarden, moet ik zoveel liefde aannemen, verdien ik dat dan?”

Er zijn mensen die in hun bekrompenheid de hele wereld beschuldigen. Maar als u hem door uw barmhartigheid verplettert dan zal hij zijn slechte gedrag vervloeken, omdat in de ziel de kiemen van het goede in overvloed aanwezig zijn.

 

Hij zal ontroerd worden tot in het diepst van zijn hart en zal inzien hoe edel en rechtvaardig mensen zijn. Hij zal verpletterd worden door een diep berouw, door het verschrikkelijke besef van zijn eindeloze schuld die hij van nu af aan altijd voor ogen zal hebben. Dan zal hij niet zeggen: “de rekening is vereffend!”, maar : “ik ben schuldig voor alle mensen”, en met tranen van berouw zal hij uitroepen: “de mensen zijn beter dan ik, want ze wilden me niet in het ongeluk storten, maar me redden”.

For the mistreated, mateless mother…. ( Chimes of Freedom)For the mistreated, mateless Mother

 

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Dostojewski`s visie op kinderen, deel 2

http://youtu.be/HLP8YN7IoNg ( helaas niet de versie van Bob Dylan te vinden op youtube..) Weer een paar gedeeltes uit Dostojewski`s “De Gebroeders Karamazow”, om aan te tonen hoe diep het inzicht van Fjodor aangaande de menselijke natuur reikt. Als je zijn boeken goed tot je hebt laten doordringen blijkt het niet meer dan logisch dat Freud en Nietzsche ( en wie niet!) met hem dweepten, en met zijn vooruitstrevende en diepmenselijke inzichten aan de haal zijn gegaan. Hoewel zelfs zij nooit uit zijn schaduw hebben kunnen treden. Op psychologisch gebied is Dostojewski nu eenmaal de Enige God..

“Elk kind op zich is een engeltje van God, maar met zijn allen en vooral op school zijn ze vaak buitengewoon wreed. Wat doorstaan kindertjes wanneer ze hun ouders proberen te verdedigen, wat moeten zij op die ogenblikken allemaal uitstaan? Zo is het nu met onze kinderen, de kinderen van de zo verachte maar niettemin zo fiere armen die al op hun negende jaar de waarheid van het leven leren kennen? De rijken zijn daar wel ver van af: die zullen hun leven lang zo`n diepte niet ervaren, maar mijn zoon heeft op hetzelfde ogenblik dat hij zich voor de anderen vernederde om zijn vader te verdedigen de hele waarheid geproefd. Die waarheid heeft hem geraakt en hem voor goed gewond. Opeens drukte hij zich helemaal tegen me aan, hij omhelsde me met zijn kleine armpjes, heel stijf. Als zulke zwijgzame en trotse kinderen loskomen en toegeven aan een groot verdriet, dan komen zij niet meer tot bedaren. Maar toen hij zijn hart had uitgestort schaamde hij zich opeens omdat hij zich tegenover mij zo had laten gaan. Van dat ogenblik af moest hij mij haten. Je moet bedenken dat wij tot het soort armen behoren die zich ontzettend schamen. Je moet weten dat het ontzettend pijnlijk voor een vernederd mens is als iedereen zich als zijn weldoener gaat beschouwen. Als u de waarheid wilt weten: die weldoeners daar zijn even verdorven als wij. Het zijn allemaal schobbejakken, met dat verschil dat zij lakschoenen aan hebben terwijl wij in stinkende armoede zitten en daar niets verkeerds in zien.”

“Weet je wat ik hier zo pas bij mezelf zei? Als ik niet meer in het leven geloof, als de vrouw waar ik van hou mij ontgoochelt, als ik niet meer geloof in de orde der dingen, als ik integendeel zelfs tot de overtuiging ben gekomen dat er niets anders bestaat dan een ordeloze, vervloekte en duivelse chaos, als alle verschrikkingen van menselijke ontgoocheling mijn deel zijn geworden, dan zal ik toch willen leven: nu ik eenmaal die beker aan mijn lippen heb gezet zal ik hem niet meer loslaten voor ik hem helemaal uitgedronken heb! Die levensdorst is in de ogen van sommige bleekneuzige onbenullige moralisten vaak iets gemeens. Maar ik wil leven en ik leef, al is het ook in weerwil van iedere logica. Ik houd van sommige heldendaden waarin ik misschien allang niet meer geloof, maar die ik me toch altijd met liefde zal blijven herinneren. Op het kerkhof liggen gestorvenen die me dierbaar zijn; iedere steen spreekt van een leven dat fel geleefd is, van een hartstochtelijk geloof in eigen kracht en waarheid, in de strijd die men gevoerd, de overtuiging die men gediend heeft.Ik wil met mijn hart en met mijn zinnen liefhebben. De mensen moeten het leven zelf meer liefhebben dan de zin ervan. Want de liefde gaat voor de logica: eerst liefhebben en het leven liefhebben, en pas daarna zul je de zin van het bestaan begrijpen. Je moet al je doden tot leven wekken, die misschien wel nooit gestorven zijn.”

“Ik moet je een bekentenis doen, ik heb nooit kunnen begrijpen hoe het mogelijk is je naaste lief te hebben. Het zijn juist je naasten die je volgens mij niet kunt liefhebben: dat kun je alleen opbrengen voor de mensen die ver weg zijn. Om van iemand te houden moet hij zo ver mogelijk van je af zijn: zodra hij zijn gezicht laat zien is het met de liefde gedaan. Velen die nog onervaren in de liefde zijn, worden door het ware gezicht van de mens eerder afgestoten dan aangetrokken. Jezus was een God, maar wij zijn geen goden. Ik kan bijvoorbeeld onder een zwaar lijden gebukt gaan, maar een ander zal nooit weten hoe erg het is, omdat hij nu eenmaal een ander is en niet in mijn huid kan kruipen. En daar komt nog bij dat een mens maar zelden wil erkennen dat een ander een martelaar is. Leed dat mij verlaagt en neerhaalt kan mijn weldoener nog wel tolereren, maar een wat edeler vorm van lijden, om een idee bijvoorbeeld, zal hij maar heel zelden tolereren. In abstracto kun je je naaste nog wel liefhebben, uit de verte gaat ook nog, maar van nabij is het onmogelijk.Behalve dan wanneer het kinderen betreft. Om te beginnen kun je kinderen ook van dichtbij liefhebben, zelfs vieze en lelijke kinderen; ik geloof overigens dat er geen lelijke kinderen zijn. En vervolgens praat ik ook liever niet over de volwassenen omdat ze niet alleen afstotend en liefde niet waard zijn, maar bovendien nog schuld hebben: ze hebben van de appel gegeten en goed en kwaad leren kennen, ze zijn “als goden”geworden. Maar kinderen hebben dat nooit gedaan en zijn nog nergens schuldig aan. Als ook kinderen op aarde al zo verschrikkelijk moeten lijden, dan is dat natuurlijk te wijten aan hun vaders; de kinderen worden gestraft voor hun vaders die van de appel gegeten hebben. Een onschuldige, en dan nog zo`n kinderlijke onschuldige, mag niet lijden voor een ander! Kinderen staan soms mijlenver van de volwassenen af, vooral kinderen beneden de zeven jaar; het lijken wel heel andere wezens met een heel andere natuur.. Men spreekt wel eens van de “dierlijke” wreedheid van de mens, maar dat is verschrikkelijk onrechtvaardig en beledigend voor de dieren; een dier kan nooit zo wreed zijn als de mens: zo artistiek, zo geraffineerd wreed.

Ons verschaft het van oudsher een direct en fel genot om een ander mens pijnlijk af te ranselen. En ik verzeker je nog eens met klem dat het een speciale eigenschap van heel wat mensen is om juist kinderen te kwellen. De begeerte om kinderen te kwellen, maar dan ook alleen kinderen. Tegenover alle andere vertegenwoordigers van de menselijke soort gedragen diezelfde kwelgeesten zich zelfs welwillend en vriendelijk, als ontwikkelde en humane Europeanen, maar zij hebben er een groot plezier in kinderen te kwellen.

Het is juist de weerloosheid van deze schepsels waardoor deze kwelduivels worden aangetrokken: het engelachtige vertrouwen van een kind dat geen kant heen kan, werkt op de verkeerde instincten van zo`n wreedaard. In ieder mens schuilt natuurlijk het dier – en dat komt tevoorschijn bij woede-uitbarstingen, bij wellustig genot onder het horen van de kreten van een gekweld slachtoffer, bij het onbeheerst uitleven van hartstochten, enzovoort.

Maar waarom moet een kind dat duivelse “goed”en “kwaad” leren kennen als dat zoveel kost? Alles wat de wereld aan kennis kan opbrengen weegt immers niet op tegen de tranen van een klein kind dat om hulp roept.

Ik heb me tot de kinderen beperkt om mijn argumenten des te scherper te stellen. Over de andere menselijke tranen waarmee de aarde tot op het merg doordenkt is, zal ik met geen woord spreken – ik erken deemoedig dat ik niet begrijp waarom alles zo is ingericht. De volwassenen moeten zelf wel schuldig zijn: hun werd een paradijs geschonken maar zij begeerden de vrijheid en roofden in het besef dat zij daardoor ongelukkig zouden worden. Met mijn aards verstand kan ik alleen maar constateren dat er door kinderen geleden wordt zonder dat er schuldigen zijn. ikzelf heb niet geleden om met al mijn smarten en misdaden als mest te dienen voor de komende harmonie van God mag weten wie. Als iedereen moet lijden om op die manier de eeuwige harmonie te verdienen dan mag ik toch nog wel de vraag stellen waarom dat ook voor kinderen geldt. Het is volmaakt onbegrijpelijk waarom die ook moeten lijden en waarom zij door hun leed de harmonie moeten verdienen. Ik begrijp dat volwassenen allemaal deel hebben aan het kwaad, maar dat gaat niet op voor de kinderen. Ik zie daarom helemaal af van die hogere harmonie. Die is nog geen traantje waard van een zo`n gekweld kind die om hulp smeekt. Het feit dat zulke tranen, zulke pijn ongewroken blijft maakt die hele harmonie of God waardeloos. Want bestaat er iets dat zoiets ooit kan compenseren? Het feit soms dat de schuldigen gestraft worden, wanneer we geluk hebben? Maar wat maal ik om die straf; kan dat iets veranderen aan het feit dat die kinderen gemarteld zijn? Ik wil vergeven en vergeten, ik wil iedereen in mijn armen sluiten, ik wil niet dat dat lijden dan nog doorgaat. En als het lijden van welk kind ook de noodzakelijke aanvulling vormt van het totaal aan leed dat nodig is om de waarheid of de harmonie te bereiken, dan verklaar ik van tevoren dat die hele waarheid en harmonie niets waard zijn.Ik wil de harmonie niet en het is uit liefde voor de mensheid en met name de kinderen dat ik dat niet wil. Ik hou liever de zijde van het ongewroken leed en daarom haast ik mij mijn toegangskaartje terug te geven”. http://youtu.be/BkRef6RT9q0

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Dieptepsychologie a la Dostojewski deel 1

http://youtu.be/sSbqm7ZK_9s

Een vriend van me zei het laatst heel treffend: “Wanneer iedere psycholoog/psychiater ipv het oeuvre van Freud alle werken van Dostojewski in de kast had staan en als leidraad gebruikte leek me de beroepsgroep een stuk vruchtbaarder, en zeker weten een stuk menselijker”.

In de meeste gevallen zijn mensen, gekken en misdadigers inderdaad veel naiever en simpeler van hart dan wij gewoonlijk aannemen. Wij zelf trouwens ook. Ik moet denken aan de personages uit het boek “De Gebroeders Karamazow”, en dan met name aan de jongste zoon, Aljosja. Hij doet me een beetje denken aan prins Mysjkin, alias “de idioot” uit het gelijknamige boek van Dostojewski.

Deze Aljosja, wiens moeder reeds overleden was toen hij een peuter was maar die de rest van zijn leven helder in zijn herinnering gegrift bleef staan, was een mensenvriend in de ware zin des woords met een diep verlangen om uit de duisternis van de wereldse boosheid op te stijgen naar het licht van de liefde. Er was iets in hem dat de indruk wekte dat hij geen rechter over de mensen wilde spelen en voor niets ter wereld een oordeel wilde uitspreken. Het leek soms wel alsof hij alles toeliet al had hij vaak bitter verdriet. Hij ging zo ver in zijn verdraagzaamheid dat niemand hem meer in verbazing kon brengen of doen schrikken. Iedereen hield van deze jongeman, waar hij ook kwam. Zelfs zijn vader, de ruwe,bandeloze en verdorven Fjodor Karamazow die nooit naar een van zijn drie zoons had omgezien, was dol op hem. Hij zei tot Aljosja: “ik voel dat jij de enige mens ter wereld bent die mij niet heeft veroordeeld, mijn lieve jongen, ik ben nog niet zo afgestompt dat ik dat niet meer voel”.

Aljosja geloofde in wonderen, net als ik. Volgens mij is een dergelijke houding niet te wijten aan mysticisme of fanatisme. Wonderen brengen een realist nooit in de war. Het zijn namelijk niet de wonderen die zo iemand aan het geloven brengen, maar deze wonderen worden geaccepteerd als een natuurlijk feit dat tot dusverre onbekend is gebleven. Aljosja geloofde in de waarheid, de waarheid van de liefde; hij zocht er in alle eerlijkheid naar en nadat hij die eenmaal gevonden had wilde hij zich daar met alle kracht van zijn ziel voor inzetten. Hij verlangde ernaar een verschil te maken in het leven van anderen en was bereid om daarvoor alles in te zetten, zelfs zijn leven. Hij had zichzelf nooit belogen, dat was de kern. Want hij die zichzelf beliegt en zijn eigen leugen gehoor schenkt, is op het laatst niet meer in staat te onderscheiden wat waar is in hem zelf en anderen; en daarmee verliest hij alle achting voor zichzelf en de anderen. En tenslotte zal zo iemand tengevolge van al dat liegen ( tegen zichzelf) volkomen verdierlijken. Hij die zichzelf beliegt, houdt er voor alles van de beledigde te spelen.

Dostojewski schreef in het personage van de starets: “er leeft in het volk veel geduldig gedragen leed: het is een leed dat zich in zichzelf terugtrekt en dat zwijgt. Maar er is ook een verdriet dat uitbarst, dat losbreekt in tranen en zich uit in een zingend klagen. Vooral bij vrouwen treft men die vorm aan. Het is niet minder zwaar te dragen dan het zwijgende verdriet. Het klagend jammeren is slechts bij machte het hart nog meer te verscheuren, nog dieper te breken. Zo`n verdriet is ontroostbaar en het voedt zich zelf aan het gevoel van zijn ontroostbaarheid. Zo is het lot, moeders, dat jullie op aarde beschoren is. En laat je niet troosten, je moet je niet laten troosten; treur om je verlies. Je moet voor niets en niemand bang zijn. Als je ergens berouw van hebt dan vergeeft god alles. Er is op de hele wereld geen zonde die niet vergeven wordt aan hem die oprecht berouw heeft. Vergeef diep in jezelf alles aan degenen die jou beledigden, en verzoen je oprecht met hen. Berouw hebben is reeds liefhebben. Als je liefhebt dan ben je reeds met de ander verzoend. Met liefde wordt alles vrijgekocht, alles gered. Mijn god, is er behalve Fjodor uberhaupt een man op deze wereld die zo`n diep inzicht heeft in deze zaken?

Het boek “De Gebroeders Karamazow” is dermate diep en rijk aan inzichten, dat het ondoenlijk is om de kern ervan binnen enkele paginas weer te geven. Dat is dus ook beslist niet mijn bedoeling: wanneer je wilt weten waar dit verhaal om draait, dien je het absoluut zelf te lezen. Beter schrijf ik in een paar delen enkel op wat mijzelf zo aansprak en is bijgebleven in dit boek.

Daarnaast: haalt niet ieder mens iets anders uit dit soort boeken? En is het niet juist zo dat niet iedereen dezelfde boeken kan “verteren”, waardoor je het zo zou kunnen stellen dat het niet zozeer de boeken zijn die de mens vormen, maar wellicht in even grote mate de mensen ( onbewust soms) de boeken kiezen die bij hun vorming passen? In deze trant verder redenerend zou je kunnen stellen dat er behoorlijk wat mensen zijn die van nature neigen naar een “dieet van zoete koek” dat door anderen wordt opgediend..

Terug naar Aljosja en de starets:”als je eerst eens ervaart wat actieve liefde is. Probeer je naaste echt en voortdurend lief te hebben. Naarmate je meer zult liefhebben zul je meer overtuigd raken van de onsterfelijkheid van de ziel. Als je in je liefde voor je naaste zou kunnen gaan tot volledige zelfverloochening ( niet erg “hip” he, haha – voor zoiets wordt je tegenwoordig bijna gedwongen opgenomen) dan zul je zeker geloven en geen enkele twijfel of terughoudendheid zal zelfs in je ziel kunnen opkomen. Ook al erger je je aan individuen, dan nog heb je reeds veel gedaan omdat je dit zelf zo diep en eerlijk kon doorzien. Dat wat je in jezelf verkeerd vindt, wordt reeds door het feit dat je hebt gezien en onderkend, gezuiverd. Wees nooit beducht voor je eigen kleinheid als het erop aankomt de liefde te vinden; laat je daarbij zelfs niet al te zeer afschrikken door je slechte daden. Niets troostenders valt hierover te zeggen, want de actieve liefde is in vergelijking met gedroomde/verliefde liefde een harde en beangstigende zaak. Actieve liefde houdt een keuze in, en betekent hard werken en volhouden.”

“Als iets een slecht mens tot een ander en beter mens kan maken, dan is dat alleen de wet die in het schuldbewustzijn van het eigen geweten tot uiting komt”. Sommige mensen hebben een onstuimige ziel. Maar hun verstand is geketend. Zij behoren tot degenen die een grote en nog niet tot oplossing gebrachte gedachte in zich omdragen – zij hebben het verlossende antwoord voor hun denken nodig. Heb geen angst om je zonde, ook al besef je er de zwaarte van; wees alleen rouwmoedig. Stel echter geen voorwaarden. Ik herhaal: verhef je niet boven anderen, noch voor de kleinen, noch voor de groten. Wees niet haatdragend jegens hen die jou verstoten, beschimpen en belasteren”.

Toen Mitja, Aljosja`s broer, vertelde over zijn dubbele gevoelens ten opzichte van Katerina Iwanowna, beschreef hij wat er door hem heen ging op het moment dat Katerina vanuit haar goedheid hem een grote dienst bewees. Mitja beschrijft wat er door hem heen ging: “zij was op dat ogenblik mooi door de adel van haar optreden en omdat ik een schurk was; zij was groot door haar edelmoedigheid, door het offer dat zij bracht, en ik was een luis. Van deze schurk en luis hing zij nu af, met ziel en lichaam, helemaal. Zij kon geen kant op. En het leek me toe dat ik juist daarom te werk zou gaan als een luis, als een kwaadaardige tarantula zonder een schijn van medelijden.Het was mijn eergevoel! Ik had lust om een allergemeenste zwijnenstreek uit te halen: haar spottend aan te kijken en haar dan met precies zo`n intonatie op het lijf te vallen. Werkelijk heb ik toen een aantal seconden met een verschrikkelijke haat naar haar gekeken; een haat die maar een streep van de dolste diepste liefde verwijderd is!”.

Steekt dat echt zo in elkaar bij jullie mannen? Is jullie ego dermate belangrijk, of jullie testosterongehalte dermate onoverkomelijk dat jullie altijd “de meerdere”, “de sterkere” , de “machtige” willen blijven? Die Mitja had immers integendeel in zijn binnenste diep moeten buigen voor Katerina vanwege zoveel ootmoed en goedheid..

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen