Ahriman 1

Het doet vrouwen ernaar verlangen te huilen en te sterven, maar mannen worden er razend door. We hebben het hier uiteraard over het ondergaan van de weinig beschreven en geanalyseerde emotie “schaamte” , en de uitwerking en invloed ervan op de menselijke ziel.

“Voor het eerst van haar leven is dat meisje echt vrij” dacht hij, en schrok van het medegevoel dat hij daarbij ondervond. Hij stelde zich haar voor als een trots wezen; trots op haar kracht, trots op die furie die bezig was haar tot een legende te maken, en die iedereen verhinderde haar te vertellen wat ze doen moest, of wie ze zijn moest, of wat ze had moeten zijn maar niet was..
Ja, ze had zich boven al datgene verheven wat ze niet wenste te horen.
“Is het mogelijk” ,vroeg hij zich af, “dat menselijke wezens juist het edele in zichzelf kunnen ontdekken door in een toestand van verwildering te leven?”

Zij was zijn Nemesis geworden, nadat hij zo lang meedogenloos – toen ze het meest kwetsbaar was in de buik van haar moeder en direct daarna – haar brute Ahriman was geweest en nog steeds was.
Het Beest heeft vele gezichten. Het neemt iedere vorm aan die het verkiest. Hij voelde hoe het zijn buik binnenkroop en begon te eten.
Dit meisje en haar moeder vertoonden het gedrag van vrouwen die al ver genoeg zijn gegaan, te ver zelfs;
vrouwen die niet langer in grenzen geloven en in wat daar wellicht achter zou kunnen liggen.
En zulke geduchte vrouwspersonen doen nooit minder dan ze van plan zijn.

“Ik heb vanachter de coulissen toegekeken, aangezien ik niet wist welke rol ik moest spelen” dacht hij mild oordelend over zichzelf. Menselijke wezens bezitten er nu eenmaal een opmerkelijk talent voor zichzelf wijs te maken dat hun eigen bedoelingen oprecht en edel waren, wanneer die in feite opportunistisch en minderwaardig zijn.
Waartoe zijn menselijke wezens het sterkst geneigd wanneer ze zich geconfronteerd zien met duisternis, met gevaar, met het onbekende, of in zijn geval: het onmetelijke verdriet in haar ogen?
Tot wegrennen; de ogen afwenden en vluchten; net doen alsof de dreiging niet met zevenmijlslaarzen op hen af komt springen.
Tot willens en wetens de ogen sluiten, die onverwoestbare dwaasheid waarmee we alles uit ons bewustzijn schrappen dat het bewustzijn niet verdragen kan.
Hij had zich willens en wetens van zijn dochter afgewend na haar vermoord te hebben; hij was nog moedwilliger in zijn blindheid dan een struisvogel.

Nu de jaren verstreken bleek zij – niettegenstaande de uiterlijke schijn – echter een van die bovennatuurlijke wezens te zijn, een van die engelen der wrake; hoezeer hij ook, zelfs nu nog, trachtte om een beetje zelfgenoegzaam te verzuchten dat het maar goed is dat het slechts verzinsels zijn.
Want diep in z`n hart wist hij donders goed dat alleen al de mogelijkheid dat zulke wezens zouden kunnen bestaan de wetten waarnaar hij leefde en zijn begrip van de wereld om hem heen volkomen omver zou werpen.
“Beter de ogen stijf dicht houden en afwachten”, dacht hij opnieuw.

Ik zeg: in de beschaafde samenleving is geen plaats voor monsters. Als zulke schepsels al op aarde rondzwerven, dan doen ze dat op de uiterste rand daarvan, naar de marge verwezen door tradities van opvoeding en ongeloof…
Hij had haar dus op de brandstapel gesmeten, reeds lang voor haar geboorte.
En opnieuw stak hij die brandstapel aan: die brandstapel waarop mannen al datgene plegen te verbranden wat hen omtrent henzelf of het verleden bedrukt. Het was hem nog steeds niet gelukt uit zijn cocon van liederlijkheid te kruipen, iets wat hij niet kon verkroppen. “Separatisme is het geloof dat je goed genoeg bent om aan de klauwen van de hel te ontsnappen” placht hij zichzelf voor te houden. Maar geen enkele ontsnapping is ooit definitief.

Mensen die hun verleden verloochenen, verliezen het vermogen dat verleden als werkelijkheid te beschouwen. Als je iets onderdrukt, onderdruk je tevens de omgeving ervan. Maar uiteindelijk komt het onder je ogen onherroepelijk tot een uitbarsting.
Terwijl sommige vrouwen tot waanzinnig gedrag vervallen nadat zulke gruweldaden jegens hen zijn begaan, raakte zij meer en meer bedaard en vertrouwde op haar gezonde verstand, wat haar tot een machtig, en naderhand tot een gevaarlijk menselijk wezen maakte.

Dat wat thans gebeurde, gebeurde omdat 52 maanden van liefdeloze vernedering , walging, ontkenning en het genegeerd-worden simpelweg hun tol eisen; en omdat er altijd een punt is waarop de emmer overloopt, ook al kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat de laatste druppel is geweest. De liefde van sommige vrouwspersonen is niet blind..
Het enige dat zeker lijkt, is dat zij, al zo lang opgezadeld met de wetenschap een soort van verkeerd uitgevallen wonder voor hem te zijn, alsmede de vleesgeworden schaamte van zijn liederlijke en laffe familie, in de doolhoven van haar onderbewustzijn een verborgen pad heeft ontdekt dat de schakel vormt tussen schaamte, verdriet en gewelddadigheid. En al even verbaasd als de anderen is over de kracht van hetgeen hier ontketend is.

Wanneer je mensen maar lang genoeg vernedert, zal er op een gegeven ogenblik een wilde furie uit ze losbarsten. Als ze dan naderhand de ravage van hun razernij in ogenschouw nemen, zien ze er niet-begrijpend, alleen maar jong uit.

Weet je wat een heilige is? Een heilige is iemand die lijdt in onze plaats….

sarah lisa engelssarah lisa engels2sarah lisa3sarah lisa4

Geplaatst in ETHIEK!, fantasie en zogenaamde "realiteit"., filosofie, Geen categorie, karaktertrekjes, Levensbeschouwing, matters of the heart, ratio versus emotie, rebellie versus volgzaamheid, samenhang | Een reactie plaatsen

Verlangend naar de plons van een steen

I could have warned you, but you were young –
and I speak with a barbarous tongue
Has no one told you those daring eyes should be more learned?
My hand had strength to unbind what none can understand,
what none can have and thrive

Now as at all times I can see in the mind`s eye,
no government appointed me
And when I see the cold heaven, there my imagination and heart are driven
So wild that every casual thought of this and that vanished, and only left memories
With the hot blood of youth, or love that crossed long ago
And I took all the blame out of all sense and reason, until I cried and trembled,
riddled with light……..

Out naked on the roads, and stricken by the injustice of the skies for punishment
I made my song a coat out of old mythologies; but the fools caught it, wore it in the world`s eyes as though they`d wrought it. Let them fucking take it, for there`s more enterprise in walking naked..

It`s plain that the bible means that king Solomon grew wise while talking to his queens
The living men that I hate, the dead men that I love; sleep driven from my bed by tenderness and care.. He is foremost of those that I would hear praised – I will talk no more of books or my long war, but walk by the dry thorn until I have found some beggar sheltering from the wind, and there manage the talk until his name comes `round.
If there `ll be rags enough I will know his name; though I `ve had young men`s praise and old men`s blame

But since I laid my hand there on and found a heart of stone,
I have attempted many things and not a thing is done
For my hand is lunatic that it travels on the moon..
Like a mermaid who found a swimming boy and picked him for her own,
I pressed my body to his body, laughed, and plunging down I forgot in
my cruel happiness that even lovers drown
Then suddenly my heart was wrung by his distracted air, and I remembered wildness lost
Imagining, moon-accursed, that another mouthful and his beating heart would burst
And for that reason I am crazed, and my sleep is gone – for my arms are like a twisted thorn

Laughter , not time, destroyed his voice and put a crack in it
For that is natural to a man that lives in memory;
being all alone I`d nurse a stone..
Never to have lived is best, the ancient writers say: never to have drawn the breath of life,
never to have looked into the eye of day..
The second-best is a long dark night, and a quickly turn away
An old ghost`s thoughts are lightning – because to follow is to die
I sing what was lost and I dread what was won

Het stormde hard – de dag dat ik besloot later vrij te zijn.
Gevangen in eenzaamheid; je weet wel hoe dat afliep.
Maar waar is de storm, waar is de bliksem?
Wat ik achterliet, was een huis vol met leegte. Waar ik nooit thuiskwam, maar
op bezoek bij een vreemde..

Ik lijk op een rimpelloos meer dat verlangend is naar de plons van een steen..
Ik wacht al heel lang op het wijken van het kalme blauw,
en verstop m`n geheimen in het ruisende water
Ik wacht smachtend op onweer, op het knallen van de donder, op de plons van een steen.

Liefde is niet moeilijk; het is een stuk moeilijker om vasthoudend te zijn – om je lot te zien wanneer het dondert en bliksemt,
en de regen je laatste restje zelfrespect heeft weggespoeld, om je alleen-zijn te aanvaarden.
Leven is, op z`n best, koorddansen: een wankel evenwicht tussen losheid en vasthoudendheid.
Een vasthoudendheid die te maken heeft met toewijding.
Elk doel is pas de moeite waard als het helemaal, uit jezelf, “eigen” is gemaakt.
De hemel heeft alleen iets aan sterke schouders.

Bewust worden voert weg van onschuld.
Ik kan mijn ogen niet meer sluiten voor de bruggen die ik verbrand heb,
voor m`n eigen doden.
Hoe verder ik geworteld raak in dit leven, hoe meer ik die paradox accepteer:wat is, is ook niet – wat niet kan, gebeurt toch.
Het kind in mij is nooit weg geweest; ik kon haar enkel een tijd niet zien..

Geplaatst in de tragedie van ware liefde, fantasie en zogenaamde "realiteit"., filosofie, Gezondheid en welzijn, karaktertrekjes, Levensbeschouwing, matters of the heart, ratio versus emotie, rebellie versus volgzaamheid, samenhang, zelfveroordeling en -vergeving | Een reactie plaatsen

Sensus irrealis

Waar het gevaar is, daar groeit ook het reddende ( las ik eens ,vrij vertaald, bij de dichter Holderlin).
Het reddende – dat is precies het open laten, het betwijfelen, het over de rand gaan. Mijn verantwoordelijkheid bestaat eruit dat ik alles onderzoek, met inbegrip van mijn eigen aannames en drijfveren. Want als redding ergens begint, dan in de beweging naar binnen. Met scepsis doel ik dan ook op een beschouwelijk soort scepsis die haar oorsprong heeft in een nooit wijkend besef van de beperktheid van het menselijk weten en kennen.

Geloof staat voor mij niet voor het aanhangen van een overtuiging, maar voor het in stand houden van een bepaalde geesteshouding of geestestoestand. Ik heradem zodra ik in het opene en onbekende kom, in het nog niet gewetene. Alsof ik pas daar werkelijk tot leven kom en een thuis vind, alsof ik mij bij alle onthandheid mij juist hier gedragen weet en voel. In de leegte kun je geborgenheid vinden door contemplatie, die niet gericht is op een bepaalde godsvoorstelling, maar juist uit die leegte een volheid van zin verwacht. Mijn land is niemandsland, ik voel mij overal thuis maar ook nergens. Ik hoop slechts dat ik gerekend kan worden tot de beminden.

Mijn wet vertelt mij te leven vanuit passie en vanuit compassie – niets meer en niets minder. Voor mij is er namelijk maar een uitweg uit het monster dat ik ( net als iedereen) diep vanbinnen met mij mee-tors: namelijk bij mijzelf te rade gaan en al datgene probeer af te leggen waarvoor ik meen een ander pijn te moeten doen, me te moeten wreken, een ander moet vernietigen. Want naar mijn mening maakt ieder atoompje haat dat je aan de wereld toevoegt, haar nog onherbergzamer dan ze al is. Haat, versteende haat, kan een vreemdsoortig uitgevallen wonder (ikzelf) in een ( letterlijke) invalide doen veranderen…

Reeds mijn gehele leven word ik – en ik verkeer daarbij gelukkig in gezelschap van Grote Geesten – door een besef van onwerkelijkheid geplaagd en omringd. Ik voelde me vroeger een speelbal van de catastrofen of willekeur des universums, zag me omringd door wezens even kortstondig en ondoorgrondelijk als ikzelf, allen opgewonden jacht makend op hersenschimmen, en had en heb nog steeds vaak het vreemde gevoel in een droom te verkeren ( lees gerust Hume of Berkeley of Virginia Woolf of Arthur Rimbaud: ik zweer dat je veel van datzelfde gevoel zult aantreffen bij hen).
Ik ben tot in mijn kleinste vezeltjes doordrongen van de absurditeit van het bestaan, van de vreemdheid ervan – een vreemdheid die zich uitstrekt tot in mijn binnenste, de plek waar ik verondersteld wordt een “ik”aan te treffen dat mij en niemand anders toebehoort. Ik zie allesbehalve zo`n “ik”, zo`n kern, zo`n pit.. De wereld binnen mij is precies even raadselachtig als de wereld buiten mij. Ik leef in een droom en het lukt mij maar niet om daaruit te ontwaken. Hoe hard ik ook aanbeuk tegen de muren van de taal of van de “werkelijkheid”.

Hoe dan ook: ik weet dat ik ten diepste afhankelijk ben van iets wat ik niet beheers, wat voornamelijk mij beheerst, al kan ik amper doorgronden hoe en in welke mate. Dit onwerkelijkheidsbesef berooft mij ook van de mogelijkheid om werkelijk te geloven in verklaringen, van welke origine dan ook. Noem het een soort Kantiaanse vertwijfeling.
Voor mij is het gehele bestaan een taal, mythe, geste, ritueel. Een taal waarin niet de vraag naar waarheid voorop staat, maar de poging tot betekenisgeving, expressie van het intellect en het hart en het gemoed. Eerder vergelijkbaar dus met poezie dan met wetenschap, hoewel ik – wanneer wetenschap begrepen en gewaardeerd wordt als poezie – helemaal niet bang ben voor de uitkomsten van de wetenschap, maar mij daarmee juist voed en nieuw materiaal voor expressie vind.

Het leven moet voor mij diepte hebben – niet de diepte van “weten”of “waarheid” , maar de diepte van de schaduw, van de complexiteit.Een spelend ( en nog onbedorven) kind doet het je ongeweten en onbewust zo voor…

DIERENTUIN 15.6.2014 030

DIERENTUIN 15.6.2014 027

DIERENTUIN 15.6.2014 026DIERENTUIN 15.6.2014 030

DIERENTUIN 15.6.2014 026DIERENTUIN 15.6.2014 030

DIERENTUIN 15.6.2014 032

Geplaatst in ETHIEK!, fantasie en zogenaamde "realiteit"., filosofie, Geen categorie, Gezondheid en welzijn, Levensbeschouwing, matters of the heart, samenhang | Een reactie plaatsen

Aldoor vragend zal ik aankomen: Deel 2

Al door het zeggen van een woord deelt men, scheidt men en schendt het alomvattende dat men niet kent.. Datgene wat ik niet uitspreken kan maar toch uitspreken moet..
Ik kan alleen maar slagen als ik ook faal – dat is de paradox – als ik mijn menselijke zucht naar controle prijsgeef. Een gelatenheid die interessant is omdat hij zich niet laat vangen met woorden. Juist mijn besef van niet-weten maakt dat ik mijzelf allerminst bijzonder vind.
Ik bespeur bij mezelf een bepaald soort melancholie; en een angst voor sluitende taal: al die taal die het beschrijven, verklaren, rubriceren, verbeelden ten dienste stelt aan een objectief geheten orde en aan die orde haar autoriteit ontleent.

Sluitende taal zal (in mijn opvatting) vroeg of laat leiden tot allerlei vormen van lijden, uiteenlopend van stigmatisatie, buitensluiting, verkettering – en erger. Ik weet immers waarover ik spreek..
Het verlangen naar solide (en dus buitensluitende) taal, solide betekenaars, solide identiteiten kan catastrofale gevolgen hebben, niet alleen voor de eigen psyche maar ook voor de kwaliteit van het samenleven.

Open taal daarentegen is al die taal waarin een stil geschreeuw hoorbaar blijft, een verwarde of woeste of serene of vrolijke wanhoop vanwege een verlangen naar precisie – dat hopelozer wordt naarmate het zichzelf beter weet te vervullen.
Open taal wil zich bewust zijn van de oneindige complexiteit der dingen, hun wederzijdse afhankelijkheid en bepaaldheid, een gegeven dat elke ordening uiteindelijk simplistisch en illusoir maakt. Mijn taal is ook daarom een met zichzelf verlegen taal, dan weer bron van plezier, dan weer bron van walging. Verrukking en doodsangst ineen, liefde voor woordkunst strijdend met stiltehonger – gekenmerkt door zowel eros als door thanatos, door verrukking en verlorenheid..

Scepsis en overgave, die twee kunnen ontspringen aan dezelfde bron, twee strengen zijn uit dezelfde wortel. Ik ben als het ware een serene wanhopige (voor de goed verstaander).
Ik heb mij in vele levensbeschouwingen verdiept, maar ben nu eenmaal niet met een innerlijk toegerust dat mij in staat stelt om voor deze of gene beschouwing een keuze te maken. Van oudsher is er heel diep in mijzelf iets wat zich tegen zo`n keuze voor het een (en daarmee tegen het ander) verzet.

Ik heb eerder geschreven wat voor mij geloof betekent: een bepaalde toestand van de geest ( waar overigens ook mijn wil soms bij betrokken is), en wel een toestand van voortdurend energiek openstaan voor de dingen, van onophoudelijk vragen stellen, het steeds weer en op ieder onverwacht moment de wereld en mijn medemens te “ervaren”. Mijn diepste spirituele verlangen kan dus expliciet uitgedrukt worden als een verlangen naar openheid.
Ook in mijn schrijfsels zal dit te merken zijn: aan de veelvuldig gebruikte aanhalingstekens bijvoorbeeld.

Die tekens wijzen op de onhandigheid van de gekozen termen, hun onbedoelde importantie, hun schrikwekkende gebrek aan precisie. Die aanhalingstekens manen om de betreffende termen niet te verabsoluteren, want zij danken hun zin niet alleen aan het gezegde, maar eveneens aan het ongezegde. Preciezer: aan al datgene wat zij versluieren, verzwijgen, negeren. Die aanhalingstekens zijn dus een uiterst belangrijke subtekst.

Wanneer ik het woord “ervaring” hanteer, ligt daarin heel mijn geloof samengebald, mijn geloof in openheid als een geestestoestand die zich nooit zal neerleggen bij de status quo der dingen, maar zicht wil krijgen op het onmetelijke veld van mogelijkheden daarachter.
Ik ben een overtuigd hoper, ik geloof in de hoop.. Als ik desondanks aanhalingstekens plaats wanneer ik het heb over mijn ervaringen, dan uit wakkere scepsis. Die tekens zeggen: hoed je voor naiviteit, hoed je voor leeg optimisme. Maak van het ervaren niet de volgende idee-fixe, doe niet alsof er een ervaren bestaat waarin de gegeven wereld verdwijnt en waarin alle stollingen voor eens en voor altijd zullen oplossen ofzo..

De openheid voor het nieuwe kan dus nooit los gedacht worden van al het gegevene dat het ervaren van dit nieuwe eerst mogelijk maakt. Daarom: blijf je bewust van de onoplosbare tragiek van het leven (zeg ik tegen mezelf, niet tegen jullie), maak van het ervaren niet de zoveelste verlossingsleer.

Ziehier de betekenis van mijn aanhalingstekens. Hun functie is het ervaren buiten de gevarenzone van sluitende taal te houden. Het zijn geen tekens van ironie, het zijn tekens van koele hartstocht, koele vertwijfeling. Alstjeblieft, fluisteren ze, als je spreekt, als je schrijft, wees op je hoede voor klare taal, wantrouw begrippen, wees voorzichtig met indelingen. Gebruik gedachtestreepjes, en koester de halve woorden….

Geplaatst in ETHIEK!, fantasie en zogenaamde "realiteit"., filosofie, karaktertrekjes, Levensbeschouwing, matters of the heart, ratio versus emotie, samenhang | 1 reactie

Het “ik ” is een fictie waarvan wij hooguit de medescheppers kunnen zijn.. Deel 1.

Misschien moeten we ons “ik” leren zien en accepteren als raadsel. Misschien ligt daarin zelfs een deel van onze bestemming..
Ik ken mijn leven lang al een verlangen naar openheid; dit verlangen gaat samen met een merkwaardig soort twijfel, meestal opgeroepen door ingrijpende ervaringen en uitmondend in de vaststelling dat ik mijn eigen “ik”nooit ten volle zal kunnen ( of hoeven) kennen; meer nog, dat de zin van het leven er juist deels in bestaat bovenstaande ontdekking te doen.

Bevreemding… daar hoef je geen dichter voor te zijn. Iedereen die aan de rand komt en niet wegkijkt, weet wat het betekent wanneer het leven al zijn vanzelfsprekendheid verliest.
Slaan ingrijpende gebeurtenissen je werkelijk uit het lood, dan merk je dat je verandert en aanmerkelijk minder stellig wordt in je uitspraken en opinies. Dat je zelfs een afkeer krijgt aan een bepaald soort ( dogmatische) stelligheid: die van jezelf in de eerste plaats.

Die openheid waar ik het net over had, of het verlangen daarnaar, laat zich verbinden met ruimdenkendheid en vrijheid, openhartigheid en spontaniteit, nieuwsgierigheid en experimenteerlust, creativiteit en originaliteit, zinnelijkheid en lichamelijkheid, vrijzinnigheid, eerlijkheid en integriteit, democratie van meningsuiting, dialoog en ontvankelijkheid voor kritiek, met transparant handelen en verantwoording afleggen, dicipline, diversiteit, waardepluralisme, mededogen en barmhartigheid, aandacht en begrip, kwetsbaarheid en geraakt durven worden.

Ik bespeur in mezelf een grote mate van niet-weten, waarvan de belangrijkste kenmerken zijn: verwondering over de veelvormigheid van het bestaan, nieuwsgierigheid naar wat zich afspeelt aan de randen van het weten (bijvoorbeeld in het zwijgen, in de stilte), het aandurven van onzekerheid en toelaten van twijfel, behoedzaamheid bij het uitdragen van een levensovertuiging, voorzichtigheid bij het articuleren van een levensbeschouwelijke identiteit, bevreemding over de automatismen van het bewustzijn, leidend tot regelmatig optredende haperingen bij het gebruik van de eerste persoon enkelvoud.

Niet-weten begint niet daar waar de twijfels het winnen van de zekerheden; dat is een onzinnige optelsom, eentje bovendien die meewerkt aan een vals soort zekerheid..
Niet-weten begint daar waar de verwondering over het bestaan zich nestelt in de perceptie van het eigen bestaan. de psycholoog Han de Wit had het eens over het begrip “fundamentele menselijkheid”.
Met dit begrip doelt hij op een basale kracht die gegeven is met ons mens-zijn, op een altruisme dat de onbevangenheid van het kind paart aan de bezonnenheid van de volwassene.

Ik ben hokjesschuw. Religie, literatuur en kunst zie ik het liefst als een wet tegen afbakeningen. En zodra je van een hokjesschuwe verwacht een identiteitsformule over zichzelf uit te spreken, gaat er iets dood in hem/haar. Ik kwam na lange omzwervingen thuis bij mensen die net als ik liever geen vast thuis (qua religie/spirualiteit/levensbeschouwing) hebben: een mondiale familie die geen familie wil zijn maar het toch op een bepaalde manier is. Dit heeft mij in staat gesteld om – wanneer nodig – ongewone en moedige keuzes te maken.

Deze houding brengt echter ook met zich mee dat ik m`n geloofsidentiteit bij voorkeur onbenoemd laat. Ik laat liever in het midden wie en wat ik precies ben en belijd. Want juist op het vlak van religie en spirualiteit stel ik de vraag naar het ik; beschouw me als een geestverwant van Socrates en Wittgenstein in dat opzicht. Ik ken gelukkig meer van dit soort “mensen zonder eigenschappen”: wat deze mensen met elkaar gemeen hebben is een filosofisch soort scepsis die begint met de ontdekking dat ieder mens een gevangene is van zijn bewustzijn, van de vele blinde reflexen ervan.
“Ik ben x en ik geloof in y” : niet-weters kunnen maar moeilijk wennen aan het “ik” in deze formulering. Ze geloven bij wijze van spreken tegen de klippen op en tegen alle evidenties in, ze geloven alleen niet in hun ik. Anders gezegd: ze hebben moeite samen te vallen met hun rol.
Zoals Cees Nooteboom al zei: “ik had duizenden levens en nam er maar een”. Dit idee van ongerijmdheid en toevalligheid vergezelt hen onophoudelijk.

Ik tracht mijzelf op een andere manier te begrijpen; met een voorkeur voor wat mij innerlijk verrijkt, zelfs als het moreel of intellectueel verboden is, voel ik mij als een stap die naar alle kanten vrij is.
Ik wil leven in overeenstemming met mijn diepere zelf; maar ik weet ook dat zodra dit gebeurt, ik niet meer zo goed kan zeggen wat er dan gebeurt. En wie ik op dat moment ben. Want hier eindigt het bekende. Het gaat mij om een innerlijke transformatie, een innerlijk proces dat erom vraagt mijn zekerheden los te laten – met inbegrip van mijn geloofszekerheden. Ik ben dus iemand wiens religieuze gedrag wordt bepaald door een allesdoordringend en doordesemd besef van niet-weten, een besef zo sterk dat het zich ook uitdrukt in mijn aarzeling een identiteit uit te dragen. Want daarmee zou ik verraad plegen aan mijn eigenheid, mijn identiteit.

Geloven begon voor mij denk ik pas toen mij duidelijk werd dat er geen god is om je op te beroepen of om je aan vast te klampen.

Geplaatst in filosofie, Geen categorie, Levensbeschouwing, matters of the heart, ontspanning en kiezen voor jezelf, samenhang | Een reactie plaatsen

Systematische ontkenning

Vaak zien we ons verleden met alles wat daarin heeft plaatsgevonden, als een kleurplaat waarbij dat wat fout is ingekleurd of buiten de lijntjes is gegaan, niet meer valt weg te gummen.
Maar het fijne is dat er een gum bestaat waarmee je deze delen wel degelijk kunt weggummen en opnieuw naar eigen keus in kunt kleuren. Sterker: daarmee kies je ervoor om niet langer het slachtoffer te zijn van de “verkeerd ingekleurde” aspecten van je verleden/leven.

Ikzelf ben, na vele omzwervingen langs verschillende tradities, weer terug bij de ongeschonden waarheid van mijn allerjongste jaren. Dat voelt als thuis. Het is de kunst om bij jezelf te blijven en het daarbij te houden.

De patronen die je met je meedraagt hebben je houding ten opzichte van je persoonlijkheid en je lichaam beinvloed. Feit is dat het patriarchale/mannelijke stelsel een systematische ontkenning van het vrouwelijke in gang heeft gezet. Situaties waarin vrouwen werden en worden onderdrukt in hun vrouwelijkheid; met als gevolg ongelooflijk veel leed in vrouwen en mannen.
In onze samenleving ligt het accent op het mannelijke. En dan doel ik ook op de feministen – hoe moedig en dapper ook – die hun ruimte en rechten helaas op een mannelijke manier innamen.
Op een mannelijke manier namen en nemen ze mannelijke aspecten van het leven op in hun bestaan.

Vrouwen wilden dezelfde vrijheid als mannen en verwierven die ook, maar werden uiteindelijk een vreemdsoortige kopie van de mannen die hen zo onderdrukt hadden.
De vertaalslag van mannenwereld naar vrouwenwereld is niet gemaakt: vrouwen trekken mannelijke zaken op masculiene wijze naar zich toe. Het is prima dat vrouwen nu mogen werken/stemmen/carriere maken/vreemdgaan.
Maar de tol die ervoor betaald is, is hoog; mannen en vrouwen betalen tot op de dag van vandaag de prijs; de ontkenning van het vrouwelijke in zichzelf. Waardoor tegenwoordig meestal de mannelijkheid in de mannen en in de vrouwen overheerst. Dat is een verstoring.

Bij de man begint een verstoring van de vrouwelijke ontvankelijkheid in zijn hart; bij de vrouw begint deze verstoring van de vrouwelijke ontvankelijkheid in haar onderbuik.
Daar waar de verstoring begon, begint ook het herstel: voor de man in zijn hart, voor de vrouw in haar onderbuik.

De weg van de lichamelijkheid is: je vertrouwd weten met je lichaam, haar processen en reacties.
Het lichaam is zo`n prachtig zelfregulerend systeem, maar vaak zijn we al vroeg “weggevlucht” uit ons eigen lichaam, door de ontkenning, afwijzing of gebruik/misbruik ervan, in welke vorm ook. En natuurlijk door onze opvoeding, onze cultuur, etc.
Het lijkt er in onze samenleving op dat alle taboes op het gebied van lichamelijkheid/sex doorbroken zijn, maar niets is minder waar. Al deze uitingen ( prostitutie, chatrooms, porno,vrouwen als lokmiddel in reclames) zijn simpelweg een symptoom van het gegeven dat de balans tussen het mannelijke en het vrouwelijke is verstoord.

Toen ik allerlei tegenslagen en fysieke klachten te verduren kreeg, deed ik wat mensen vaker doen om overeind te blijven: houvast zoeken. Maar de vergissing die ik maakte was dat ik die houvast niet in mezelf, maar in mensen en omstandigheden om me heen zocht.
Natuurlijk werd dit houvast keer op keer ondermijnd, want mensen stellen elkaar nu eenmaal teleur, en omstandigheden zijn vaak niet wat ze lijken.
Gelukkig kreeg ik juist toen de moed om mezelf te openen voor mezelf; de moed om stukje bij beetje te zien in welke patronen ik functioneerde. Ik hield op met het aanwijzen van “schuldigen” uit heden en verleden. Sterker nog: ik ging inzien dat ik in feite bezig was geweest met een herhaling van zetten; dat ik hetzelfde deed als de mensen die ik zo veel had verweten. Dat was de opmaat naar herstel, het begin van een groeiende liefde voor mijzelf.

Een vrouw die in contact met haar onderstroom, vanuit haar “middelpunt” (onderbuik) leeft, is een vrije, krachtige, vreugdevolle, genotvolle, ontvankelijke en liefdevolle vrouw. Wordt dit belemmerd, dan schiet ze teveel in haar hoofd of in haar hart/emotie.
Een man die in verbinding staat met zijn hart, voelt zich autonoom, krachtig, vrij, vredig, gevend en liefdevol. Wordt dit belemmerd, dan schiet hij teveel in zijn hoofd of in zijn pik.
En dan is een openlijke strijd tussen man en vrouw het gevolg, met alles wat daarbij hoort: pijn, verdriet, verlies en angst. Allereerst is er de pijn die veroorzaakt wordt door de ander, maar daarnaast het gevoel van eigen onvermogen. Hoe dieper de onderlinge verbondenheid, hoe groter de pijn; want je bent ineens heel kwetsbaar op een plaats waar je je veilig waande.
De bittere realiteit is dat het veel mannen en vrouwen niet lukt om uit deze strijd in zichzelf en met de ander te komen. Ze verharden, sluiten zich af of passen zich aan. En ze gooien de deur dicht. Kortom: het stroomt niet meer.

Bij een man die niet leeft vanuit zijn hart, ontstaat er een overdruk in het onderlichaam of in het hoofd. Het hart wordt weggehouden van z`n activiteiten, hij wordt passief of juist overactief en gevoelloos ten opzichte van wat hij doet naar zichzelf of anderen toe. Er ontstaat dus een tekort in het hart. Het leven wordt daarmee een wat mechanisch leven: er ontbreekt iets in hem en daarvoor zoekt hij onbewust compensatie.
Hoopt de energie zich voornamelijk op in het onderlichaam, dan zie je een overmaat aan werk ontstaan, grote aandacht voor sport, hobby`s, woede, seks, agressie, geweld, misbruik, macht, machteloosheid, buikpijn en dergelijke.

Zoekt de energie zich via het hoofd een weg naar buiten, dan zie je overmatig gepieker, internetten, een rationele instelling, aan-/afwezig-zijn, autoritair gedrag, alles beter weten, competitie-/prestatiedrang, frustratie, gevoelloosheid, een kort lontje hebben, geldingsdrang.

Een vrouw die niet leeft vanuit haar onderbuik, ervaart een tekort, een leegte; er is sprake van gevoelloosheid, afwezigheid van zichzelf. Het leven doet pijn, of het lichaam doet pijn. De overdruk die hierdoor in het bovenlijf ontstaat, kiest ( omdat de weg naar beneden toe is afgesloten) een uitgang naar buiten via het hartgebied of het hoofd.

In het hartgebied uit zich dit in overbezorgdheid, zorgelijk gedrag, betutteling, bemoeizucht, fysieke klachten, manipulatief handelen, slachtofferschap, overemotioneel gedrag, opofferingen, verslavingen, stress, vermoeidheid en claimgedrag.

Zit het overschot aan energie nog hoger, dan ontstaat er door de grotere druk in het hoofd gepieker, besluiteloosheid, hoofdpijn, controledrang, perfectionisme, concentratiestoornis, angst, praatzucht, onrust, geklaag en gezeur. De vrouw moet voor haar gevoel het overschot aan energie reguleren via mensen en omstandigheden buiten haar.

Wanneer zowel man als vrouw niet vanuit hun middelpunt/kern leven, hebben ze op deze manier een verwijderend effect op elkaar; waarbij de afwezigheid van de een omgekeerd evenredig is aan het verlangen van de ander om bij iemand aanwezig te zijn.
Hoe verder jij je verwijdert van je eigen startpunt, hoe groter de tik is die je onbedoeld uitdeelt.
En hoe groter de tik, hoe verder de ander zich weer van jou verwijdert….

Toch is er gelukkig een innerlijk navigatiesysteem in ieder mens aanwezig: welke afslag of omweg je ook neemt in je leven, je wordt steeds weer op de route naar je bestemming geplaatst.
Dit navigatiesysteem wacht geduldig, zonder oordeel, openbaart zich in je hart en navigeert je terug naar je essentie. Je kunt ervoor kiezen overgeleverd te blijven aan je verlangen (dus je te laten leiden door driften en wensen en kortetermijnverlangens die enkel te maken hebben met “hebben”).

Als je echter durft samenvallen met je authentieke zelf, als je kiest voor een verlangen dat te maken heeft met “zijn”, dan neem je de verantwoordelijkheid voor blijvend geluk, ongeacht omstandigheden. Dat verlangen is puur, waar en onaantastbaar.
Want zodra je geleerd hebt om je eigen geliefde te worden, zal geen mens ter wereld er nog in slagen om jou het gevoel te geven dat je tekortschiet, of je onzeker kunnen maken.
Je verliest jezelf dan ook niet meer in het leven of de mening van een ander: je staat op eigen benen, bent autonoom.
Wie vanbuiten doet wat hij vanbinnen voelt, is een authentiek mens!

Geplaatst in Geen categorie | 4 reacties

Deel 3: Naakt zonder schaamte

In de gnostische teksten ( bijvoorbeeld van Fillippus, Maria Magdalena of Thomas) wordt jezus – geheel anders dan in de bijbel zoals die aan ons overgeleverd is – voorgesteld als iemand die radicaal met de god der wrake, jawheh, uit het oude testament breekt.
In sommige gnostische teksten wordt jawheh geen reeel bestaan toegekend; hij wordt dan gezien als de projectie of het symbool van onze eigen angst. In de traditionele bijbel werd de gehele kosmos op een enkel tijdstip geschapen; in de gnostiek echter gaat het om een permanent doorlopend scheppingsproces, een emanatie. Je zou de god van de bijbel ook gerust Demiurg kunnen noemen: de wraakzuchtige en vertoornde, voor wie het zaaien van angst het middel is om macht te verwerven. Als we ons nu weer wisten te verenigen met ons oorspronkelijke, ware gelaat, zou dat alle angst uitbannen.

De mens is een geboren verhalenverteller, prachtig. Met hun verhalen scheppen mensen werelden uit het niets. Maar een kosmisch misverstand ontstaat als mensen “gelovig” worden en hun zelfgeschapen werelden verkiezen boven de echte werkelijkheid. Dan menen ze misschien met hun verhaal alles te kunnen verklaren, alles te begrijpen, maar dat veronderstelde begrip is niet meer dan een illusie. Verhalen kunnen ook een andere functie hebben, namelijk als drager van onze emoties, van barmhartigheid, van liefde – op die wijze bekleden ze de werkelijkheid met betekenis.
Veel mensen wonen niet in de werkelijkheid, maar in een verhaal. Als er dan in de werkelijkheid iets gebeurt, maken ze daar meteen een klein verhaaltje van dat perfect past in hun grote verhaal. En dat nu noemen ze “begrijpen”. Mensen kunnen helemaal gevangen raken in namen en verhalen over de werkelijkheid.
En je kunt er ook heel onbarmhartig van worden als je in een verhaal woont. Want als je in een verhaal woont, kun je maar al te makkelijk het licht niet verdragen in andere verhalen…

Volgens de gnostiek hebben we als mens twee naturen: de ene is de persoonlijke natuur/identiteit, de tweede is zijn tijdloze goddelijke kern – in de moderne psychologie wordt wel gesproken over de transpersoonlijke natuur van de mens. Veel van ons zijn echter die tijdloze en goddelijke ( ik noem het liever universele, maar dat maakt geen ruk uit) kern in onszelf vergeten. In oecumenische zin zijn gnostiek, boeddhisme, hindoeisme en vele andere spirituele tradities slechts variaties op hetzelfde thema over de vereniging van de twee naturen van de mens.
Moet je daarvoor geloven? Nee hoor, je hoeft niets te geloven; enkel zoeken en vinden ( als je daar zin in hebt).
Gnosis betekent kennis, maar gaat over een ander soort weten: een intuitief verstaan waarin je eigen diepste wezen weerklinkt.
In de gnostiek speelt het geloof/geloven geen rol van betekenis; welk geloof dan ook biedt op zich geen verlossing.

Het maakt dus geen moer uit welke naam je eraan geeft, want de ervaring is zichzelf en staat los van alle namen/woorden. De mysticus Eckhart (1260-1328) zei: “de mens in wie het goddelijke aan de dag treedt en die het als nabij erkent, heeft niet langer onderwijzing of prediking nodig: hij weet genoeg uit innerlijke ervaring”. Dit handelt allemaal over iets dat alleen in de innerlijke ervaring gekend kan worden.
In een van de loggia wordt gezegd: “Als je jezelf kent, dan zul je ook gekend worden. Maar ken je jezelf niet, dan verkeer je in armoede. Je bent zelf armoede.

Volgens de huidige bijbel mogen we het koninkrijk pas verwachten na de dood, of aan het einde der tijden. Maar in de koptische teksten over jezus, geschreven door (de “ongelovige”) Thomas, staat letterlijk: “het koninkrijk is in je binnenste en in je oog”. Wil je dus op zoek naar het koninkrijk, zoek dan in jezelf. Daar zul je het vinden. En als je het daar gevonden hebt, zul je op een andere manier naar de wereld kijken. Wie in zichzelf “het koninkrijk” realiseert, zal datzelfde koninkrijk in de hele wereld kunnen zien. Niet omdat de wereld anders is geworden, maar omdat je anders kijkt. Je kijkt dan met je hart.

Je moet daartoe weer terug naar de staat van zijn waarin je je eigen identiteit en die van anderen nog niet ontleende aan “de wereld”. Je moet terug naar het begin, naar wat je van oorsprong was. Terug naar de ervaring van je unieke eigenheid, in plaats van de identificatie met een collectief sociaal masker.
Dat is de opstanding uit je eigen dood, uit je eigen blindheid.
Want door dat masker vervreemd je niet enkel van jezelf, maar ook van alle medemensen. Je ontwikkelt een oordelende blik, en die blik maakt blind; niet alleen voor je ware zelf, maar ook voor het ware zelf van alle andere mensen. Je ziet ook van hen niet meer wie ze in werkelijkheid zijn. Ogen van liefde oordelen niet ( denk aan een klein kind), maar nodigen anderen uit zichzelf te tonen in hun ware aard, opdat wat verborgen is in henzelf weer tevoorschijn komt. Een oordelende blik maakt dood, liefde wekt tot leven.
De bewogenheid van het hart, de liefde, is het helende vermogen van de mens.

En dat begint allemaal met trouw aan jezelf..
De levenspraktijk is het leermiddel om het kind/de wezenskern in jezelf te vinden.
Wezenlijk daarvoor is dat je trouw bent aan jezelf.
Ste, je staat voor een echt levensprobleem. Je verkeert in een morele crisis. Je weet niet meer wat te doen. Hoe los je dat op? Stel de juiste vraag.
Door onvoorwaardelijk trouw te zijn aan jezelf, ook door de verantwoordelijkheid te nemen voor je eerder gemaakte keuzes, leer je door vallen en opstaan het kind/de wezenskern in jezelf kennen.

In elk mens schuilt een verlangen om met zijn diepste wezen aanwezig te zijn in de wereld, om daarin gekend te worden. Vaak wordt dat verlangen geofferd aan de sociale gemeenschap waartoe we behoren, maar een of andere gebeurtenis zal dat verlangen weer wekken. We worden als het ware bij onze ware naam geroepen, en het kan best zijn dat die roep of dat verlangen je maant iets te doen wat “helemaal niet kan”. Bovendien zullen de medeleden van de wij-groep waartoe je behoort meer of minder subtiel dreigen met uitstoting, “dat is toch niet voor jou weggelegd”, “je verraadt je wortels”, etc.
Ze appelleren daarmee aan je angst voor de eenzaamheid, die vaak een reden vormt om niet aan de roep van het innerlijk verlangen te beantwoorden.

Als je dat wel wilt, dan vraagt dat om een ferm besluit, of misschien meer een daad van overgave, die dikwijls het karakter heeft van bewust de eenzaamheid durven binnenstappen.
Als je die eenzaamheid durft binnengaan wacht er helemaal geen eenzaamheid;en achteraf zie je dat niet de eenzaamheid zelf de barriere was die je moest overwinnen, maar je eigen angst voor de vermeende eenzaamheid.

Maar je medemensen kunnen je natuurlijk ook tot steun zijn. Je mag jezelf gelukkig prijzen wanneer er iemand is die in je gelooft en je bemoedigt om je eigen weg te gaan. Dat zijn de helpers op je pad, die niet met hun eigen waarheid te koop lopen, maar hun zoekende en tastende medemens hun onvoorwaardelijke vertrouwen schenken.
Vang je je medemens in je eigen waarheid als je een ander in de problemen ziet zitten, of word je een helper die anderen steunt hun eigen weg te gaan, ook al kijk je soms hoofdschuddend toe?

Innerlijke groei gaat vaak zo langzaam en geleidelijk tussen de schokken door dat je dat vaak zelf niet eens ervaart.
Wij mensen hebben elkaar nodig. Niet als gevangenbewaarders van absolute waarheden, maar als moedige, vrije mensen die elkaar het licht gunnen.

Geplaatst in Boeken, ETHIEK!, filosofie, Geen categorie, Levensbeschouwing, rebellie versus volgzaamheid, zelfveroordeling en -vergeving | 1 reactie