Aldoor vragend zal ik aankomen: Deel 2

Al door het zeggen van een woord deelt men, scheidt men en schendt het alomvattende dat men niet kent.. Datgene wat ik niet uitspreken kan maar toch uitspreken moet..
Ik kan alleen maar slagen als ik ook faal – dat is de paradox – als ik mijn menselijke zucht naar controle prijsgeef. Een gelatenheid die interessant is omdat hij zich niet laat vangen met woorden. Juist mijn besef van niet-weten maakt dat ik mijzelf allerminst bijzonder vind.
Ik bespeur bij mezelf een bepaald soort melancholie; en een angst voor sluitende taal: al die taal die het beschrijven, verklaren, rubriceren, verbeelden ten dienste stelt aan een objectief geheten orde en aan die orde haar autoriteit ontleent.

Sluitende taal zal (in mijn opvatting) vroeg of laat leiden tot allerlei vormen van lijden, uiteenlopend van stigmatisatie, buitensluiting, verkettering – en erger. Ik weet immers waarover ik spreek..
Het verlangen naar solide (en dus buitensluitende) taal, solide betekenaars, solide identiteiten kan catastrofale gevolgen hebben, niet alleen voor de eigen psyche maar ook voor de kwaliteit van het samenleven.

Open taal daarentegen is al die taal waarin een stil geschreeuw hoorbaar blijft, een verwarde of woeste of serene of vrolijke wanhoop vanwege een verlangen naar precisie – dat hopelozer wordt naarmate het zichzelf beter weet te vervullen.
Open taal wil zich bewust zijn van de oneindige complexiteit der dingen, hun wederzijdse afhankelijkheid en bepaaldheid, een gegeven dat elke ordening uiteindelijk simplistisch en illusoir maakt. Mijn taal is ook daarom een met zichzelf verlegen taal, dan weer bron van plezier, dan weer bron van walging. Verrukking en doodsangst ineen, liefde voor woordkunst strijdend met stiltehonger – gekenmerkt door zowel eros als door thanatos, door verrukking en verlorenheid..

Scepsis en overgave, die twee kunnen ontspringen aan dezelfde bron, twee strengen zijn uit dezelfde wortel. Ik ben als het ware een serene wanhopige (voor de goed verstaander).
Ik heb mij in vele levensbeschouwingen verdiept, maar ben nu eenmaal niet met een innerlijk toegerust dat mij in staat stelt om voor deze of gene beschouwing een keuze te maken. Van oudsher is er heel diep in mijzelf iets wat zich tegen zo`n keuze voor het een (en daarmee tegen het ander) verzet.

Ik heb eerder geschreven wat voor mij geloof betekent: een bepaalde toestand van de geest ( waar overigens ook mijn wil soms bij betrokken is), en wel een toestand van voortdurend energiek openstaan voor de dingen, van onophoudelijk vragen stellen, het steeds weer en op ieder onverwacht moment de wereld en mijn medemens te “ervaren”. Mijn diepste spirituele verlangen kan dus expliciet uitgedrukt worden als een verlangen naar openheid.
Ook in mijn schrijfsels zal dit te merken zijn: aan de veelvuldig gebruikte aanhalingstekens bijvoorbeeld.

Die tekens wijzen op de onhandigheid van de gekozen termen, hun onbedoelde importantie, hun schrikwekkende gebrek aan precisie. Die aanhalingstekens manen om de betreffende termen niet te verabsoluteren, want zij danken hun zin niet alleen aan het gezegde, maar eveneens aan het ongezegde. Preciezer: aan al datgene wat zij versluieren, verzwijgen, negeren. Die aanhalingstekens zijn dus een uiterst belangrijke subtekst.

Wanneer ik het woord “ervaring” hanteer, ligt daarin heel mijn geloof samengebald, mijn geloof in openheid als een geestestoestand die zich nooit zal neerleggen bij de status quo der dingen, maar zicht wil krijgen op het onmetelijke veld van mogelijkheden daarachter.
Ik ben een overtuigd hoper, ik geloof in de hoop.. Als ik desondanks aanhalingstekens plaats wanneer ik het heb over mijn ervaringen, dan uit wakkere scepsis. Die tekens zeggen: hoed je voor naiviteit, hoed je voor leeg optimisme. Maak van het ervaren niet de volgende idee-fixe, doe niet alsof er een ervaren bestaat waarin de gegeven wereld verdwijnt en waarin alle stollingen voor eens en voor altijd zullen oplossen ofzo..

De openheid voor het nieuwe kan dus nooit los gedacht worden van al het gegevene dat het ervaren van dit nieuwe eerst mogelijk maakt. Daarom: blijf je bewust van de onoplosbare tragiek van het leven (zeg ik tegen mezelf, niet tegen jullie), maak van het ervaren niet de zoveelste verlossingsleer.

Ziehier de betekenis van mijn aanhalingstekens. Hun functie is het ervaren buiten de gevarenzone van sluitende taal te houden. Het zijn geen tekens van ironie, het zijn tekens van koele hartstocht, koele vertwijfeling. Alstjeblieft, fluisteren ze, als je spreekt, als je schrijft, wees op je hoede voor klare taal, wantrouw begrippen, wees voorzichtig met indelingen. Gebruik gedachtestreepjes, en koester de halve woorden….

Geplaatst in ETHIEK!, fantasie en zogenaamde "realiteit"., filosofie, karaktertrekjes, Levensbeschouwing, matters of the heart, ratio versus emotie, samenhang | 1 reactie

Het “ik ” is een fictie waarvan wij hooguit de medescheppers kunnen zijn.. Deel 1.

Misschien moeten we ons “ik” leren zien en accepteren als raadsel. Misschien ligt daarin zelfs een deel van onze bestemming..
Ik ken mijn leven lang al een verlangen naar openheid; dit verlangen gaat samen met een merkwaardig soort twijfel, meestal opgeroepen door ingrijpende ervaringen en uitmondend in de vaststelling dat ik mijn eigen “ik”nooit ten volle zal kunnen ( of hoeven) kennen; meer nog, dat de zin van het leven er juist deels in bestaat bovenstaande ontdekking te doen.

Bevreemding… daar hoef je geen dichter voor te zijn. Iedereen die aan de rand komt en niet wegkijkt, weet wat het betekent wanneer het leven al zijn vanzelfsprekendheid verliest.
Slaan ingrijpende gebeurtenissen je werkelijk uit het lood, dan merk je dat je verandert en aanmerkelijk minder stellig wordt in je uitspraken en opinies. Dat je zelfs een afkeer krijgt aan een bepaald soort ( dogmatische) stelligheid: die van jezelf in de eerste plaats.

Die openheid waar ik het net over had, of het verlangen daarnaar, laat zich verbinden met ruimdenkendheid en vrijheid, openhartigheid en spontaniteit, nieuwsgierigheid en experimenteerlust, creativiteit en originaliteit, zinnelijkheid en lichamelijkheid, vrijzinnigheid, eerlijkheid en integriteit, democratie van meningsuiting, dialoog en ontvankelijkheid voor kritiek, met transparant handelen en verantwoording afleggen, dicipline, diversiteit, waardepluralisme, mededogen en barmhartigheid, aandacht en begrip, kwetsbaarheid en geraakt durven worden.

Ik bespeur in mezelf een grote mate van niet-weten, waarvan de belangrijkste kenmerken zijn: verwondering over de veelvormigheid van het bestaan, nieuwsgierigheid naar wat zich afspeelt aan de randen van het weten (bijvoorbeeld in het zwijgen, in de stilte), het aandurven van onzekerheid en toelaten van twijfel, behoedzaamheid bij het uitdragen van een levensovertuiging, voorzichtigheid bij het articuleren van een levensbeschouwelijke identiteit, bevreemding over de automatismen van het bewustzijn, leidend tot regelmatig optredende haperingen bij het gebruik van de eerste persoon enkelvoud.

Niet-weten begint niet daar waar de twijfels het winnen van de zekerheden; dat is een onzinnige optelsom, eentje bovendien die meewerkt aan een vals soort zekerheid..
Niet-weten begint daar waar de verwondering over het bestaan zich nestelt in de perceptie van het eigen bestaan. de psycholoog Han de Wit had het eens over het begrip “fundamentele menselijkheid”.
Met dit begrip doelt hij op een basale kracht die gegeven is met ons mens-zijn, op een altruisme dat de onbevangenheid van het kind paart aan de bezonnenheid van de volwassene.

Ik ben hokjesschuw. Religie, literatuur en kunst zie ik het liefst als een wet tegen afbakeningen. En zodra je van een hokjesschuwe verwacht een identiteitsformule over zichzelf uit te spreken, gaat er iets dood in hem/haar. Ik kwam na lange omzwervingen thuis bij mensen die net als ik liever geen vast thuis (qua religie/spirualiteit/levensbeschouwing) hebben: een mondiale familie die geen familie wil zijn maar het toch op een bepaalde manier is. Dit heeft mij in staat gesteld om – wanneer nodig – ongewone en moedige keuzes te maken.

Deze houding brengt echter ook met zich mee dat ik m`n geloofsidentiteit bij voorkeur onbenoemd laat. Ik laat liever in het midden wie en wat ik precies ben en belijd. Want juist op het vlak van religie en spirualiteit stel ik de vraag naar het ik; beschouw me als een geestverwant van Socrates en Wittgenstein in dat opzicht. Ik ken gelukkig meer van dit soort “mensen zonder eigenschappen”: wat deze mensen met elkaar gemeen hebben is een filosofisch soort scepsis die begint met de ontdekking dat ieder mens een gevangene is van zijn bewustzijn, van de vele blinde reflexen ervan.
“Ik ben x en ik geloof in y” : niet-weters kunnen maar moeilijk wennen aan het “ik” in deze formulering. Ze geloven bij wijze van spreken tegen de klippen op en tegen alle evidenties in, ze geloven alleen niet in hun ik. Anders gezegd: ze hebben moeite samen te vallen met hun rol.
Zoals Cees Nooteboom al zei: “ik had duizenden levens en nam er maar een”. Dit idee van ongerijmdheid en toevalligheid vergezelt hen onophoudelijk.

Ik tracht mijzelf op een andere manier te begrijpen; met een voorkeur voor wat mij innerlijk verrijkt, zelfs als het moreel of intellectueel verboden is, voel ik mij als een stap die naar alle kanten vrij is.
Ik wil leven in overeenstemming met mijn diepere zelf; maar ik weet ook dat zodra dit gebeurt, ik niet meer zo goed kan zeggen wat er dan gebeurt. En wie ik op dat moment ben. Want hier eindigt het bekende. Het gaat mij om een innerlijke transformatie, een innerlijk proces dat erom vraagt mijn zekerheden los te laten – met inbegrip van mijn geloofszekerheden. Ik ben dus iemand wiens religieuze gedrag wordt bepaald door een allesdoordringend en doordesemd besef van niet-weten, een besef zo sterk dat het zich ook uitdrukt in mijn aarzeling een identiteit uit te dragen. Want daarmee zou ik verraad plegen aan mijn eigenheid, mijn identiteit.

Geloven begon voor mij denk ik pas toen mij duidelijk werd dat er geen god is om je op te beroepen of om je aan vast te klampen.

Geplaatst in filosofie, Geen categorie, Levensbeschouwing, matters of the heart, ontspanning en kiezen voor jezelf, samenhang | Een reactie plaatsen

Systematische ontkenning

Vaak zien we ons verleden met alles wat daarin heeft plaatsgevonden, als een kleurplaat waarbij dat wat fout is ingekleurd of buiten de lijntjes is gegaan, niet meer valt weg te gummen.
Maar het fijne is dat er een gum bestaat waarmee je deze delen wel degelijk kunt weggummen en opnieuw naar eigen keus in kunt kleuren. Sterker: daarmee kies je ervoor om niet langer het slachtoffer te zijn van de “verkeerd ingekleurde” aspecten van je verleden/leven.

Ikzelf ben, na vele omzwervingen langs verschillende tradities, weer terug bij de ongeschonden waarheid van mijn allerjongste jaren. Dat voelt als thuis. Het is de kunst om bij jezelf te blijven en het daarbij te houden.

De patronen die je met je meedraagt hebben je houding ten opzichte van je persoonlijkheid en je lichaam beinvloed. Feit is dat het patriarchale/mannelijke stelsel een systematische ontkenning van het vrouwelijke in gang heeft gezet. Situaties waarin vrouwen werden en worden onderdrukt in hun vrouwelijkheid; met als gevolg ongelooflijk veel leed in vrouwen en mannen.
In onze samenleving ligt het accent op het mannelijke. En dan doel ik ook op de feministen – hoe moedig en dapper ook – die hun ruimte en rechten helaas op een mannelijke manier innamen.
Op een mannelijke manier namen en nemen ze mannelijke aspecten van het leven op in hun bestaan.

Vrouwen wilden dezelfde vrijheid als mannen en verwierven die ook, maar werden uiteindelijk een vreemdsoortige kopie van de mannen die hen zo onderdrukt hadden.
De vertaalslag van mannenwereld naar vrouwenwereld is niet gemaakt: vrouwen trekken mannelijke zaken op masculiene wijze naar zich toe. Het is prima dat vrouwen nu mogen werken/stemmen/carriere maken/vreemdgaan.
Maar de tol die ervoor betaald is, is hoog; mannen en vrouwen betalen tot op de dag van vandaag de prijs; de ontkenning van het vrouwelijke in zichzelf. Waardoor tegenwoordig meestal de mannelijkheid in de mannen en in de vrouwen overheerst. Dat is een verstoring.

Bij de man begint een verstoring van de vrouwelijke ontvankelijkheid in zijn hart; bij de vrouw begint deze verstoring van de vrouwelijke ontvankelijkheid in haar onderbuik.
Daar waar de verstoring begon, begint ook het herstel: voor de man in zijn hart, voor de vrouw in haar onderbuik.

De weg van de lichamelijkheid is: je vertrouwd weten met je lichaam, haar processen en reacties.
Het lichaam is zo`n prachtig zelfregulerend systeem, maar vaak zijn we al vroeg “weggevlucht” uit ons eigen lichaam, door de ontkenning, afwijzing of gebruik/misbruik ervan, in welke vorm ook. En natuurlijk door onze opvoeding, onze cultuur, etc.
Het lijkt er in onze samenleving op dat alle taboes op het gebied van lichamelijkheid/sex doorbroken zijn, maar niets is minder waar. Al deze uitingen ( prostitutie, chatrooms, porno,vrouwen als lokmiddel in reclames) zijn simpelweg een symptoom van het gegeven dat de balans tussen het mannelijke en het vrouwelijke is verstoord.

Toen ik allerlei tegenslagen en fysieke klachten te verduren kreeg, deed ik wat mensen vaker doen om overeind te blijven: houvast zoeken. Maar de vergissing die ik maakte was dat ik die houvast niet in mezelf, maar in mensen en omstandigheden om me heen zocht.
Natuurlijk werd dit houvast keer op keer ondermijnd, want mensen stellen elkaar nu eenmaal teleur, en omstandigheden zijn vaak niet wat ze lijken.
Gelukkig kreeg ik juist toen de moed om mezelf te openen voor mezelf; de moed om stukje bij beetje te zien in welke patronen ik functioneerde. Ik hield op met het aanwijzen van “schuldigen” uit heden en verleden. Sterker nog: ik ging inzien dat ik in feite bezig was geweest met een herhaling van zetten; dat ik hetzelfde deed als de mensen die ik zo veel had verweten. Dat was de opmaat naar herstel, het begin van een groeiende liefde voor mijzelf.

Een vrouw die in contact met haar onderstroom, vanuit haar “middelpunt” (onderbuik) leeft, is een vrije, krachtige, vreugdevolle, genotvolle, ontvankelijke en liefdevolle vrouw. Wordt dit belemmerd, dan schiet ze teveel in haar hoofd of in haar hart/emotie.
Een man die in verbinding staat met zijn hart, voelt zich autonoom, krachtig, vrij, vredig, gevend en liefdevol. Wordt dit belemmerd, dan schiet hij teveel in zijn hoofd of in zijn pik.
En dan is een openlijke strijd tussen man en vrouw het gevolg, met alles wat daarbij hoort: pijn, verdriet, verlies en angst. Allereerst is er de pijn die veroorzaakt wordt door de ander, maar daarnaast het gevoel van eigen onvermogen. Hoe dieper de onderlinge verbondenheid, hoe groter de pijn; want je bent ineens heel kwetsbaar op een plaats waar je je veilig waande.
De bittere realiteit is dat het veel mannen en vrouwen niet lukt om uit deze strijd in zichzelf en met de ander te komen. Ze verharden, sluiten zich af of passen zich aan. En ze gooien de deur dicht. Kortom: het stroomt niet meer.

Bij een man die niet leeft vanuit zijn hart, ontstaat er een overdruk in het onderlichaam of in het hoofd. Het hart wordt weggehouden van z`n activiteiten, hij wordt passief of juist overactief en gevoelloos ten opzichte van wat hij doet naar zichzelf of anderen toe. Er ontstaat dus een tekort in het hart. Het leven wordt daarmee een wat mechanisch leven: er ontbreekt iets in hem en daarvoor zoekt hij onbewust compensatie.
Hoopt de energie zich voornamelijk op in het onderlichaam, dan zie je een overmaat aan werk ontstaan, grote aandacht voor sport, hobby`s, woede, seks, agressie, geweld, misbruik, macht, machteloosheid, buikpijn en dergelijke.

Zoekt de energie zich via het hoofd een weg naar buiten, dan zie je overmatig gepieker, internetten, een rationele instelling, aan-/afwezig-zijn, autoritair gedrag, alles beter weten, competitie-/prestatiedrang, frustratie, gevoelloosheid, een kort lontje hebben, geldingsdrang.

Een vrouw die niet leeft vanuit haar onderbuik, ervaart een tekort, een leegte; er is sprake van gevoelloosheid, afwezigheid van zichzelf. Het leven doet pijn, of het lichaam doet pijn. De overdruk die hierdoor in het bovenlijf ontstaat, kiest ( omdat de weg naar beneden toe is afgesloten) een uitgang naar buiten via het hartgebied of het hoofd.

In het hartgebied uit zich dit in overbezorgdheid, zorgelijk gedrag, betutteling, bemoeizucht, fysieke klachten, manipulatief handelen, slachtofferschap, overemotioneel gedrag, opofferingen, verslavingen, stress, vermoeidheid en claimgedrag.

Zit het overschot aan energie nog hoger, dan ontstaat er door de grotere druk in het hoofd gepieker, besluiteloosheid, hoofdpijn, controledrang, perfectionisme, concentratiestoornis, angst, praatzucht, onrust, geklaag en gezeur. De vrouw moet voor haar gevoel het overschot aan energie reguleren via mensen en omstandigheden buiten haar.

Wanneer zowel man als vrouw niet vanuit hun middelpunt/kern leven, hebben ze op deze manier een verwijderend effect op elkaar; waarbij de afwezigheid van de een omgekeerd evenredig is aan het verlangen van de ander om bij iemand aanwezig te zijn.
Hoe verder jij je verwijdert van je eigen startpunt, hoe groter de tik is die je onbedoeld uitdeelt.
En hoe groter de tik, hoe verder de ander zich weer van jou verwijdert….

Toch is er gelukkig een innerlijk navigatiesysteem in ieder mens aanwezig: welke afslag of omweg je ook neemt in je leven, je wordt steeds weer op de route naar je bestemming geplaatst.
Dit navigatiesysteem wacht geduldig, zonder oordeel, openbaart zich in je hart en navigeert je terug naar je essentie. Je kunt ervoor kiezen overgeleverd te blijven aan je verlangen (dus je te laten leiden door driften en wensen en kortetermijnverlangens die enkel te maken hebben met “hebben”).

Als je echter durft samenvallen met je authentieke zelf, als je kiest voor een verlangen dat te maken heeft met “zijn”, dan neem je de verantwoordelijkheid voor blijvend geluk, ongeacht omstandigheden. Dat verlangen is puur, waar en onaantastbaar.
Want zodra je geleerd hebt om je eigen geliefde te worden, zal geen mens ter wereld er nog in slagen om jou het gevoel te geven dat je tekortschiet, of je onzeker kunnen maken.
Je verliest jezelf dan ook niet meer in het leven of de mening van een ander: je staat op eigen benen, bent autonoom.
Wie vanbuiten doet wat hij vanbinnen voelt, is een authentiek mens!

Geplaatst in Geen categorie | 4 reacties

Deel 3: Naakt zonder schaamte

In de gnostische teksten ( bijvoorbeeld van Fillippus, Maria Magdalena of Thomas) wordt jezus – geheel anders dan in de bijbel zoals die aan ons overgeleverd is – voorgesteld als iemand die radicaal met de god der wrake, jawheh, uit het oude testament breekt.
In sommige gnostische teksten wordt jawheh geen reeel bestaan toegekend; hij wordt dan gezien als de projectie of het symbool van onze eigen angst. In de traditionele bijbel werd de gehele kosmos op een enkel tijdstip geschapen; in de gnostiek echter gaat het om een permanent doorlopend scheppingsproces, een emanatie. Je zou de god van de bijbel ook gerust Demiurg kunnen noemen: de wraakzuchtige en vertoornde, voor wie het zaaien van angst het middel is om macht te verwerven. Als we ons nu weer wisten te verenigen met ons oorspronkelijke, ware gelaat, zou dat alle angst uitbannen.

De mens is een geboren verhalenverteller, prachtig. Met hun verhalen scheppen mensen werelden uit het niets. Maar een kosmisch misverstand ontstaat als mensen “gelovig” worden en hun zelfgeschapen werelden verkiezen boven de echte werkelijkheid. Dan menen ze misschien met hun verhaal alles te kunnen verklaren, alles te begrijpen, maar dat veronderstelde begrip is niet meer dan een illusie. Verhalen kunnen ook een andere functie hebben, namelijk als drager van onze emoties, van barmhartigheid, van liefde – op die wijze bekleden ze de werkelijkheid met betekenis.
Veel mensen wonen niet in de werkelijkheid, maar in een verhaal. Als er dan in de werkelijkheid iets gebeurt, maken ze daar meteen een klein verhaaltje van dat perfect past in hun grote verhaal. En dat nu noemen ze “begrijpen”. Mensen kunnen helemaal gevangen raken in namen en verhalen over de werkelijkheid.
En je kunt er ook heel onbarmhartig van worden als je in een verhaal woont. Want als je in een verhaal woont, kun je maar al te makkelijk het licht niet verdragen in andere verhalen…

Volgens de gnostiek hebben we als mens twee naturen: de ene is de persoonlijke natuur/identiteit, de tweede is zijn tijdloze goddelijke kern – in de moderne psychologie wordt wel gesproken over de transpersoonlijke natuur van de mens. Veel van ons zijn echter die tijdloze en goddelijke ( ik noem het liever universele, maar dat maakt geen ruk uit) kern in onszelf vergeten. In oecumenische zin zijn gnostiek, boeddhisme, hindoeisme en vele andere spirituele tradities slechts variaties op hetzelfde thema over de vereniging van de twee naturen van de mens.
Moet je daarvoor geloven? Nee hoor, je hoeft niets te geloven; enkel zoeken en vinden ( als je daar zin in hebt).
Gnosis betekent kennis, maar gaat over een ander soort weten: een intuitief verstaan waarin je eigen diepste wezen weerklinkt.
In de gnostiek speelt het geloof/geloven geen rol van betekenis; welk geloof dan ook biedt op zich geen verlossing.

Het maakt dus geen moer uit welke naam je eraan geeft, want de ervaring is zichzelf en staat los van alle namen/woorden. De mysticus Eckhart (1260-1328) zei: “de mens in wie het goddelijke aan de dag treedt en die het als nabij erkent, heeft niet langer onderwijzing of prediking nodig: hij weet genoeg uit innerlijke ervaring”. Dit handelt allemaal over iets dat alleen in de innerlijke ervaring gekend kan worden.
In een van de loggia wordt gezegd: “Als je jezelf kent, dan zul je ook gekend worden. Maar ken je jezelf niet, dan verkeer je in armoede. Je bent zelf armoede.

Volgens de huidige bijbel mogen we het koninkrijk pas verwachten na de dood, of aan het einde der tijden. Maar in de koptische teksten over jezus, geschreven door (de “ongelovige”) Thomas, staat letterlijk: “het koninkrijk is in je binnenste en in je oog”. Wil je dus op zoek naar het koninkrijk, zoek dan in jezelf. Daar zul je het vinden. En als je het daar gevonden hebt, zul je op een andere manier naar de wereld kijken. Wie in zichzelf “het koninkrijk” realiseert, zal datzelfde koninkrijk in de hele wereld kunnen zien. Niet omdat de wereld anders is geworden, maar omdat je anders kijkt. Je kijkt dan met je hart.

Je moet daartoe weer terug naar de staat van zijn waarin je je eigen identiteit en die van anderen nog niet ontleende aan “de wereld”. Je moet terug naar het begin, naar wat je van oorsprong was. Terug naar de ervaring van je unieke eigenheid, in plaats van de identificatie met een collectief sociaal masker.
Dat is de opstanding uit je eigen dood, uit je eigen blindheid.
Want door dat masker vervreemd je niet enkel van jezelf, maar ook van alle medemensen. Je ontwikkelt een oordelende blik, en die blik maakt blind; niet alleen voor je ware zelf, maar ook voor het ware zelf van alle andere mensen. Je ziet ook van hen niet meer wie ze in werkelijkheid zijn. Ogen van liefde oordelen niet ( denk aan een klein kind), maar nodigen anderen uit zichzelf te tonen in hun ware aard, opdat wat verborgen is in henzelf weer tevoorschijn komt. Een oordelende blik maakt dood, liefde wekt tot leven.
De bewogenheid van het hart, de liefde, is het helende vermogen van de mens.

En dat begint allemaal met trouw aan jezelf..
De levenspraktijk is het leermiddel om het kind/de wezenskern in jezelf te vinden.
Wezenlijk daarvoor is dat je trouw bent aan jezelf.
Ste, je staat voor een echt levensprobleem. Je verkeert in een morele crisis. Je weet niet meer wat te doen. Hoe los je dat op? Stel de juiste vraag.
Door onvoorwaardelijk trouw te zijn aan jezelf, ook door de verantwoordelijkheid te nemen voor je eerder gemaakte keuzes, leer je door vallen en opstaan het kind/de wezenskern in jezelf kennen.

In elk mens schuilt een verlangen om met zijn diepste wezen aanwezig te zijn in de wereld, om daarin gekend te worden. Vaak wordt dat verlangen geofferd aan de sociale gemeenschap waartoe we behoren, maar een of andere gebeurtenis zal dat verlangen weer wekken. We worden als het ware bij onze ware naam geroepen, en het kan best zijn dat die roep of dat verlangen je maant iets te doen wat “helemaal niet kan”. Bovendien zullen de medeleden van de wij-groep waartoe je behoort meer of minder subtiel dreigen met uitstoting, “dat is toch niet voor jou weggelegd”, “je verraadt je wortels”, etc.
Ze appelleren daarmee aan je angst voor de eenzaamheid, die vaak een reden vormt om niet aan de roep van het innerlijk verlangen te beantwoorden.

Als je dat wel wilt, dan vraagt dat om een ferm besluit, of misschien meer een daad van overgave, die dikwijls het karakter heeft van bewust de eenzaamheid durven binnenstappen.
Als je die eenzaamheid durft binnengaan wacht er helemaal geen eenzaamheid;en achteraf zie je dat niet de eenzaamheid zelf de barriere was die je moest overwinnen, maar je eigen angst voor de vermeende eenzaamheid.

Maar je medemensen kunnen je natuurlijk ook tot steun zijn. Je mag jezelf gelukkig prijzen wanneer er iemand is die in je gelooft en je bemoedigt om je eigen weg te gaan. Dat zijn de helpers op je pad, die niet met hun eigen waarheid te koop lopen, maar hun zoekende en tastende medemens hun onvoorwaardelijke vertrouwen schenken.
Vang je je medemens in je eigen waarheid als je een ander in de problemen ziet zitten, of word je een helper die anderen steunt hun eigen weg te gaan, ook al kijk je soms hoofdschuddend toe?

Innerlijke groei gaat vaak zo langzaam en geleidelijk tussen de schokken door dat je dat vaak zelf niet eens ervaart.
Wij mensen hebben elkaar nodig. Niet als gevangenbewaarders van absolute waarheden, maar als moedige, vrije mensen die elkaar het licht gunnen.

Geplaatst in Boeken, ETHIEK!, filosofie, Geen categorie, Levensbeschouwing, rebellie versus volgzaamheid, zelfveroordeling en -vergeving | 1 reactie

Deel 2: kinderen, het “koninkrijk” en gnostiek

“Een man, oud van dagen, zal niet aarzelen om een klein kind van zeven dagen oud
te vragen naar de plaats van het leven, en hij zal leven”.
In dit logion wordt gezegd dat een onbesneden kind nog de plaats van het leven kent, juist omdat het nog niet besneden is (dat gebeurt immers op de 8ste dag).
Met de besnijdenis (in figuurlijke zin) wordt de kiem gelegd voor de vervreemding van het kind van zichzelf. Op de dag voor de besnijdenis is het kind nog zichzelf.
Maar als “besnedene” ( je ziet dit ook bij kinderen wiens onschuld voortijdig is ontnomen) valt het kind niet meer met zichzelf samen: het wordt door zijn identificatie met een culturele bepaaldheid een onwetende over zichzelf. Het oorspronkelijk gelaat van een kind raakt na het verlies van z`n onschuld verborgen achter een masker.

Worden als een kind moet je niet ( zoals Mattheus doet) opvatten als een oproep om jezelf onbelangrijk te achten: het is een oproep om je sociale masker af te leggen en jezelf te tonen in je ware aard. Het betekent de moed verzamelen om je eigen bestemming te volgen.
Met je sociale masker ben je deel van de kudde (lekker veilig en vertrouwd); met je ware zelf echter ben je deel van de werkelijkheid, omdat je in je bewustzijn samenvalt met wie je ten diepste bent.

Naar de joodse( en kerkse) overtuiging was Kanaan/Israel het beloofde land. Maar deze oudtestamentische droom van geborgenheid en uitverkorenheid kreeg een totaal nieuwe inhoud ten gevolge van de Babylonische ballingschap (in 600 v.C. werd het joodse volk door buurland Babylonie veroverd). Dat leidde tot een ontmoeting met de leer van Zarathustra. Zarathustra voorspelde een kosmische strijd tussen de machten van de duisternis en van het licht, waarbij het beloofde land niet Israel/Kanaan is (zoals de officiele bijbel ons nog steeds wil laten geloven), maar het einde der tijden.

Een revolutionaire uitspraak uit de geschriften van Nag Hammadi is: “het koninkrijk komt niet door het te verwachten. Je kunt niet zeggen: “het is hier” of “het is daar”; nee, het koninkrijk is uitgespreid over de aarde, maar de mensen zien het niet”.
Kortom: wat je verwacht is er al; het probleem is dat je het niet herkent.
Als je het koninkrijk wilt zien moet je jezelf veranderen (niet anderen).
De wereld ( zoals jij die waarneemt) is een spiegel van je innerlijke gesteldheid (dit vond ik nogal confronterend!)
Als je denkt dat het koninkrijk/de hemel/het geluk ver af is, dan is dat ook zo.
Dat is meteen de essentie van spirituele blindheid.
Wie meent dat het koninkrijk (zeer breed op te vatten) voor hem niet is weggelegd heeft gelijk.
Want door die gedachte/opvatting plaats je jezelf erbuiten.
Door jezelf zondig te achten, kom je terecht in een wereld van toorn en wraak. De wrekende Jahweh is het spiegelbeeld van de angstige mens die zichzelf schuldig acht aan het leed in de wereld.

Kernthema van de gnostiek is dat de mens vergeten is wie hij in werkelijkheid is.
In de gnostische teksten is jezus geen wonderdoende god, maar een boodschapper ( zoals zovelen door de eeuwen heen) die de mens komt oproepen zichzelf te herinneren: “mens, sta op en herinner jezelf!”. Voor alle duidelijkheid: de gnostiek is geen geloof.
Tegenover het geloof stelt de gnostiek de gnosis.
Gnosis is het Griekse woord voor kennis, en betekent hier kennis van de ware aard van de mens, die tegelijkertijd ook de kennis is van de ware aard van de werkelijkheid.

De gnostiek als stroming dient daarom nadrukkelijk te worden onderscheiden van het kerkelijke christendom dat bij het consilie van Nicea in 325 werd geinstitutionaliseerd.
De gnostiek is opnieuw onder de aandacht gekomen door de vondst van gnostische teksten (in 1945) uit de eerste eeuwen van de westerse jaartelling. Naar de vindplaats in Egypte van deze teksten noemt men ze gewoonlijk de Nag Hammadigeschriften.
Uiteraard werd en wordt de gnostiek door kerkhistorici als een ketterij beschouwd, maar steeds meer historici neigen ernaar de gnostiek een vooraanstaande positie te verlenen in de wordingsgeschiedenis van het vroege christendom. Op grond van de historische vondsten mag men zelfs met goede redenen veronderstellen dat de gnostiek wel eens het oorspronkelijke christendom zou kunnen zijn (ai, arme kerkoudsten). Tevens is de verwantschap van de genoemde geschriften met de gnostiek van de katharen uit de twaalfde en dertiende eeuw opzienbarend.
Uit de vondst bij Nag Hammadi blijkt ook een grote verwantschap van de christelijke gnostiek met de zogenaamde hermetische gnosis. Daarin is niet jezus de hoofdpersoon, maar Hermes Tresmegitos, en die dateert al van lang voor christus.

De gnostici verkondigden dat jezus hen had geleerd dat liefde de kernkwaliteit is van de gnosis.
De gnosis is het innerlijk weten van de liefde.
In elk mens schuilt een goddelijke/universele vonk, leerden de gnostici, maar de meeste mensen zijn daar onwetend van. Wie deze verbinding heeft hersteld in zichzelf, beschikt tengevolge daarvan over gnosis. de gnostici stelden de innerlijke gnosis boven elk uiterlijk gezag. Om de gnosis in zichzelf te kunnen vinden moet een mens zich innerlijk vrijmaken, zich bevrijden van alle geestelijke slavernij.
En zoals ik in het eerste deel al schreef, wordt op deze manier een mens voor zichzelf de hoogste morele autoriteit, wetgever, maar ook hoogste rechter. nooit kunnen de maatschappelijke conventies boven de innerlijke autoriteit van de individuele mens geplaatst worden.

De afwijzing van een centraal leergezag leverde de gnostiek het verwijt op dat het zou leiden tot sociale chaos en anarchie. Maar misschien wel de belangrijkste boodschap van de gnostiek is dat alleen een vrij mens in staat is tot waarachtige liefde.
Mensen kunnen vergeten wie ze zelf in werkelijkheid zijn. De “onverloste” mens is zichzelf kwijt. Het gevolg daarvan is dat zo iemand het contact met zijn innerlijk weten, de gnosis, verliest.
Wie zichzelf hervindt, zal niet alleen weten wie hij is, maar ook zijn bestemming kennen.
Bij de gnostici staat reincarnatie vooral in het teken van de persoonlijke herkansing, iets wat ik erg mooi vind. Elk leven is een nieuw begin en wordt niet bepaald door zoiets als het karma uit een vorig leven. Wordt vervolgd.

Geplaatst in ETHIEK!, filosofie, Levensbeschouwing, samenhang | Een reactie plaatsen

Deel 1: Over vrijheid en liefde, kort.


De bijbel is al zeer vroeg in mijn broekzak beland, en de tale Kanaans was mij vertrouwder dan de grachtengordeltaal. Maar pas toen ik 114 losse (onbekende en in de ban gedane) uitspraken onder
ogen kreeg die de naam “Thomasevangelie” hebben gekregen, las ik de leer der vrijheid. Dat was wat ik mijn hele leven al “wist” , naar verlangde, en hoe ik van nature in het leven stond.
Opeens begreep ik het verschil tussen geloof en gnosis: een geloofsbelijdenis is enkel bedoeld om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen, en is daarmee een gevang, een kerk(er).
Een gnosis is een innerlijk weten, iets wat helemaal van jezelf is; vrijheid.

Ik ben al vroeg(een beetje te vroeg) het schaapje, het wegloopdiertje uit de kudde geworden. Maar de goede herder (ik noem dat niet god, maar het universum) – in plaats van mij terug te halen – lachte dat weglopertje juist bemoedigend toe en zei dat dit wezentje hem liever was dan al die kuddedieren die veilig bij de groep bleven.
De kerk-oudsten dachten daar anders over, en nog steeds verbaas ik mij over hun hardheid en kilheid jegens een jong meisje – het heeft dan ook lang geduurd voordat ik mezelf niet meer beschouwde als een duivelsdochter.

Dat wat mij zo vertrouwd aandeed in deze 114 uitspraken, was dat dit naadloos aansloot bij de mythische verhalen die ik al kende. Want ook Roodkapje moest immers van het pad af, het bos in? En Dante begint zijn oerverhaal ook met de woorden: “Op een dag, toen ik van het pad afraakte….”
De groepsregels moeten blijkbaar moederziel alleen verlaten worden, pas dan kom je bij je unieke bestemming. Pas dan kom je medestanders tegen op je zelf ontdekte pad.
De toon in de uitspraken is niet belerend of prekend, maar liefdevol en uitnodigend. En daar voel ik me bij thuis, alsof mijn ziel welkom wordt geheten.

Het laat ons zien dat we een universele vonk in ons dragen, die ons de autonomie geeft om de afspraken van de wereld los te laten (waar we dat nodig achten), de kudde te verlaten en de bewogenheid van ons eigen hart te laten spreken. Juist op dat individuele pad waarop we trouw zijn aan onszelf zullen we ons verbonden voelen met alles wat er is. Juist daar kunnen we de moed ontwikkelen om zacht en open te zijn naar alles wat zich aandient in het leven.

Ik ga niet in op de geschiedenis/herkomst (en de uitgebreide discussies daarover) van deze geschriften, dat zou al een paar bladzijden op zich vergen (vraag me gerust!) – het gaat mij om de inhoud ervan, en wat dat met mij heeft gedaan.
De kern van de 114 uitspraken is dat elk mens, niemand uitgezonderd, mens en god ineen is. In het soefisme wordt die dubbele natuur op vergelijkbare wijze verwoord door Hazrat Inayat Khan. Verder zegt Paulus in Kolossenzen 1:25:” het geheim is dit: Christus woont in u”. Ook is er hier grote verwantschap met het boeddhistische begrip Boeddhanatuur, en in het Hindoeisme spreekt men over de twee naturen van de mens: Atman( het persoonlijk zelf) en Brahman ( het kosmisch zelf). En wanneer je de Bhagavad Gita leest, zegt Krishna op een gegeven moment tegen Arjuna: “Ik ben het zelf tronend in het hart van de mensen”.

Maar dat is niet alles: het gaat erom die twee naturen met elkaar te verbinden!
Want er zijn natuurlijk spirituele tradities die helemaal mikken op dat transpersoonlijke eenheidsbewustzijn, alsof het daar alleen om zou gaan, en alsof we alles wat met ons tijdelijke bestaan te maken heeft zouden moeten loslaten of zelfs verachten (no way, denk ik).
Het bijzondere van het Thomasevangelie is in mijn ogen dus dat het de nadruk legt op de vereniging van die twee. Het doel is niet het loslaten van alles wat met ons lichamelijk en tijdelijke bestaan te maken zou hebben, maar de vereniging daarvan met het tijdloze en allesomvattende (bewust-?)zijn. Daarmee overstijgt het de identificatie met het persoonlijke en het tijdelijke volledig.

Een “eenling” betekent in Thomas: “een heel mens” zijn. Of zo je wilt: een mens uit 1 stuk.
Ieder behoudt zijn unieke eigenheid, maar zonder de verscheurdheden waarmee we elkaar het leven tot een hel kunnen maken.
Dit is de basis van Liefde volgens mij: er is geen wezenlijk verschil tussen “jou” en “Mij”, daarom is de ander ook mijzelf, en wanneer ik een ander schaad, schaad ik daarmee ook mijzelf. Jij bent mij in een andere vorm.

Het woord Autonomie komt van auto=zelf en nomos=wet. Een autonoom iemand is een koning in die zin dat hij zichzelf de wet stelt. Een autonoom iemand is zijn eigen wetgever, die is in morele zin koning over zichzelf. Hij is zijn eigen wetgever, maar ook zijn eigen rechter!
Wat bedoelt Thomas hier met geestelijke vrijheid en zelfstandigheid, en waarom? Omdat we dan in alle vrijheid onszelf de wet van de liefde kunnen opleggen. In de gnostiek gelden ook vrijheid en liefde als een onafscheidelijk koppel.
Een uiterst belangrijk thema uit Thomas handelt dus over het verlaten van de kudde, en het goede daarvan.

Geplaatst in filosofie, Levensbeschouwing | 1 reactie

Het lichaam van de vrouw is een labyrint waarin de man verdwaalt.

Vanaf de oertijd heeft de vrouw altijd een geheimzinnig, griezelig wezen geleken.
De man vereerde haar, maar vreesde haar ook. Zij was de duistere buik die hem had uitgespuwd
en die hem weer zou verslinden. De mannen sloten zich dus aaneen en vonden “de cultuur” uit
als bolwerk tegen de vrouwelijke natuur.
Dit betekent een verschuiving van de buik naar het hoofd.
De vrouw nam aanvankelijk genoegen met de bescherming van de man, maar werd gaandeweg aangestoken door het verlangen naar een eigen illusie van vrijheid, en drong door in de systemen die de man voor zichzelf had ontworpen.

De centraliteit van de vrouw geeft haar een stabiele identiteit.
Ze hoeft niets te worden, alleen maar te zijn.
Haar centraliteit is voor de man een groot obstakel, want zij blokkeert zijn zoeken naar een eigen identiteit. Hij moet zich veranderen in een onafhankelijk mens, hij moet zich van haar bevrijden.
Als hij dat niet doet, zal hij weer in haar opgaan.

In tegenstelling tot de man droomt de vrouw niet van een mogelijkheid te ontkomen aan de natuurlijke cyclus, omdat zij zelf die cyclus is.
Het Griekse patroon van vrije wil via hybris (hoogmoed, overmoed) naar tragedie is een mannelijk
drama, aangezien de vrouw zich ( tot voor kort) nooit heeft laten misleiden door de luchtspiegeling
van de vrije wil. Zij weet dat er geen vrije wil bestaat omdat zij niet vrij is. Ze heeft geen keus, ze kan slechts aanvaarden. Of ze het moederschap wenst of niet, de natuur legt haar het juk op van het brute, onbuigzame ritme van de wet van de voortplanting.

En daardoor, juist in de geavanceerde westerse maatschappij, waar men tracht de natuur te verbeteren of te evenaren en zelfrealisatie en individualisatie de idealen zijn, komen de blote feiten van de positie van de vrouw pijnlijk duidelijk aan het licht.
Hoe meer de vrouw naar persoonlijke identiteit en autonomie streeft, hoe meer zij haar verbeeldingskracht ontwikkelt, des te zwaarder zal haar strijd met de natuur zijn – dus met de onverbiddelijke fysieke wetten van haar eigen lichaam.
En hoe meer de natuur haar ook zal straffen: waag het niet je te bevrijden! Je lichaam behoort jou niet toe.

Vrouwen hebben altijd de symbolische last gedragen van de onvolmaaktheid van de man, van het feit dat hij geworteld is in de natuur. Zelfs de bijbel ontwijkt defensief de ware tegenstander van god, de aardse natuur. De slang is niet buiten Eva, maar in haar. Zij is de tuin en de slang. Een bekend schrijver zei eens over heksen: “Op een heel primitief niveau zijn alle moeders fallisch. De duivel is een vrouw”.
Biologen hebben het over het reptielenbrein van de mens, het oudste gedeelte van het zenuwstelsel, een overblijfsel uit de oertijd, toen het doodde om te overleven.
Ik durf zelfs te beweren dat een vrouw die aan premenstruele spanningen lijdt en geneigd is kortaf te zijn of zeer driftig wordt, signalen opvangt uit dat reptielenbrein.

De conceptie is een brandpunt in de tijd, een fallische actiepiek, waarna het mannetje weer nutteloos naar de achtergrond verdwijnt. De zwangere vrouw is demonisch, duivels compleet.
Als ontologische eenheid heeft ze niets en niemand nodig.
De man werd gedwongen zijn toevlucht te nemen tot mannelijke saamhorigheid en mannelijke dominantie doordat hij zich de verschrikkelijke macht van de vrouw realiseerde; haar ontastbaarheid, haar verbond met de aardse natuur.
Het lichaam van de vrouw is een labyrint waarin de man verdwaalt.

Demonische archetypes van de vrouw, waar de mythologie vol van is, vertegenwoordigen de onbeheersbare nabijheid van de natuur.
Het primaire beeld is dat van de femme fatale, de vrouw die de man noodlottig wordt.
Hoe meer de natuur naar de achtergrond wordt gedrongen, hoe meer de femme fatale zich op de voorgrond dringt; als het onderdrukte dat zich steeds weer opricht. Zij is de schim van het slechte geweten van ( met name) het Westen ten opzichte van de natuur.

De sexualiteit is een duister gebied van tegenspraak en ambivalentie, dat niet altijd begrepen kan worden door middel van de sociale modellen die het feminisme erin probeert te leggen.
Mystificatie zal altijd de wanordelijke gezel van liefde en kunst blijven.
erotiek is mystiek; dat wil zeggen, het aura van emotie en verbeelding rond sex.
Het fascisme van de natuur is groter dan dat van welke maatschappij dan ook. Er zit een
demonische instabiliteit in sexuele relaties die we misschien wel zullen moeten accepteren.

De mythe van de vagina met tanden bij de Noordamerikaanse indianen is een gruwelijk directe transcriptie van vrouwelijke macht en mannelijke angst.
Sex is dus – puur als natuurlijke transactie – het aftappen van mannelijke energie door de vrouwelijke volheid. Iedere man loopt dus het gevaar van lichamelijke en geestelijke castratie als hij
gemeenschap heeft met een vrouw.
Liefde is de betovering waardoor zijn sexuele angst slaapt.
Het latente vampirisme van de vrouw is geen sociale optische onvolkomenheid waardoor het beeld minder scherp wordt, maar een ontwikkeling ten behoeve van het moederschap, waarvoor de natuur haar verpletterend grondig heeft toegerust.
Voor de man is iedere geslachtsgemeenschap een terugkeer naar de moeder en een capitulatie.
Voor mannen is sexualiteit een worsteling om de identiteit.

Geplaatst in ETHIEK!, Geen categorie, HUMOR!, Levensbeschouwing | 4 reacties